Voedsel fetisjisme

De Britse publicist Steven Poole heeft zijn buik vol van de obsessieve aandacht voor eten. ‘De Westerse cultuur is één grote eetwedstrijd.’

Illustratie studio boot

W

eet u al wat u met Kerst op tafel zet? Biologische scharrelkip met paarse spruitjes, wellicht met een handje geroosterde boerenkool en wat ambachtelijk bereid zoetzuur? In deze tijd van televisiekoks en kookbestsellers is het strategisch plannen en bereiden van een maaltijd voor veel mensen een helse, stressvolle exercitie geworden die kan eindigen in een diepe blamage. Dat ligt niet aan die mensen; dat ligt aan het navelstaarderige hollebollegijsgedrag van de media dat we dagelijks opgedrongen krijgen.

De geïndustrialiseerde westerse beschaving eet zich ongans. We leven in het Voedseltijdperk. Televisiegidsen staan bol van de kookprogramma’s, boekwinkels puilen uit van de kookboeken, supermarkten verkopen buitenissige taartjes en pasta uit bronzen mallen onder de merknamen van beroemde koks. Vrijwel dagelijks worden wij Britten vanaf de voorpagina van een krant aangegaapt door een Jamie Oliver, een Nigella Lawson of een Yotam Ottolenghi. En grote delen van het internet zijn gekaapt door culibloggers die foto’s posten van het hippe streetfood of exquise sterreneten dat ze hebben genuttigd, vergezeld van eindeloos doorscrollbare pseudo-erotische epistels waarin de verkwikkende werking van dat lekkers wordt bezongen. Er zijn zelfs al cursussen ‘voedselfotografie met de iPhone’.

Niemand denkt meer dat je emotioneel gestoord bent als je, zoals een journalist presteerde, trots vertelt dat je ‘moest huilen’ toen je op de laatste avond van elBulli, het restaurant van Ferran Adrià in Spanje, tussen de vips zat te eten. Integendeel, wie in gezelschap niet oeverloos en tot in de kleinste details over eten kan kletsen, staat te boek als een barbaar. Eten als passie is tegenwoordig niet alleen geaccepteerd, het is verplícht.

Geleuter

Maar kunnen we ons niet beter druk maken om hoe we de ruimte tussen onze oren moeten vullen, in plaats van onze maag? Dat is de boodschap van mijn boek You Aren’t What You Eat. Het zat me tot hier, het eeuwige geleuter over eten van overigens weldenkende mensen die hun tijd en creatieve energie zoveel zinniger zouden kunnen besteden.

De prettig zelfingenomen oude smulpaap Jean Anthelme Brillat-Savarin schreef in zijn negentiende-eeuwse standaardwerk Physiologie du goût: „Zeg me wat u eet en ik zal zeggen wie u bent.” Welnu, ikzelf bijvoorbeeld besta heus niet uit gelijke delen borrelnootjes en gebraden kip. Het is natuurlijk een onzinnige bewering – alsof je de filosofie van Wittgenstein zou kunnen afleiden uit een nauwkeurige analyse van zijn ontbijt. Maar de stelling bevestigt het idee van voedsel als statussymbool. De moleculaire gerechten van Heston Blumenthal liggen – bij gebrek aan een kernreactor in de achtertuin – buiten het bereik van de thuiskok, maar wie zich een bezoek kan veroorloven aan zijn etablissement (liefst met een eersteklas vliegticket) – of aan ‘het beste restaurant ter wereld’, Noma in Kopenhagen’ – zal niet nalaten om dat wereldkundig te maken.

Ostentatief tafelen voor astronomische bedragen (liefst met levende mieren op het menu) of aanhaken bij de laatste vreemdsoortige ‘authentieke’ eettrend, is verworden tot het gastronomische equivalent van rondlopen met een Louis Vuitton-tas: dikdoenerij in de letterlijke zin van het woord. In Amerika heb je tv-programma’s met eetwedstrijden waarin de deelnemers binnen tien minuten een compleet varken of duizend pizza’s moeten zien weg te werken. Maar in de zin van sociale competitiedrift is de westerse cultuur tegenwoordig één grote eetwedstrijd.

Is deze gang van zaken niet zowel cultureel als politiek verwerpelijk? Ga maar na: terwijl wij rijken der aarde over schranspartijen dagdromen, kreperen miljoenen mensen van de honger. Ook binnen de eigen samenleving zit er een verfoeilijke kant aan de voedselobsessie van de rijken. Het aantal Britten dat regelmatig een beroep moet doen op de voedselbank om hun gezin de kost te kunnen geven, is dit jaar verdrievoudigd tot 350.000. Toen in 2012 bekend werd dat er soms wel honderd procent paardenvlees in diepvrieslasagne en ‘Zweedse’ gehaktballetjes zat, was het leedvermaak van de voedselsnobs niet van de lucht. Eigen schuld, zeiden ze, hadden die armelui maar niet zulke rotzooi moeten eten. Als mensen gewoon naar de biologische slager op de hoek gaan, zeiden ze, dan weten ze tenminste waar hun vlees vandaan komt. (Het is inderdaad fijn om te vernemen dat de koe die je gaat verschalken Colin heette, en dat hij madeliefjes vlechten en fagot spelen tot zijn hobby’s rekende.)

Tijdens een BBC-debat over de affaire wees ik er voorzichtig op dat het vlees van de biologische slager nogal prijzig is, en dat mensen die soms twee banen hebben om rond te kunnen komen ’s avonds vaak zo afgepeigerd zijn dat ik er best in kon komen dat ze liever een kant-en-klaarmaaltijd oppiepten in plaats van een slowstoofschotel te maken van geit en vergeten groenten. Waarop een stel hysterische snobs schuimbekkend twitterde dat de mensen die het minder hadden getroffen dan zijzelf gewoon ‘lui’ en ‘dik’ waren.

Parijs

Voor alle duidelijkheid: ik hou van eten, heus niet alleen om in leven te blijven, en ik doe het graag en veel. Vooral in de vijf jaar dat ik in Parijs woonde, heb ik vaak voortreffelijk gegeten. Net als de meeste mensen – en alle voedselsnobs – eet ik liever lekker dan vies. Maar voordat ik een boek over de culigekte in de media besloot te schrijven, had ik niet de minste behoefte om naar kookprogramma’s te kijken, kookboeken door te bladeren of exotische gastronomische reisverslagen te lezen. Je kunt best van eten genieten om wat het is (namelijk eten) en tegelijkertijd de obsessieve aandacht voor eten in onze cultuur pervers en decadent vinden.

Die boodschap wordt natuurlijk niet door alle beroepsfoodies even enthousiast ontvangen. Ik was blij verrast door de reacties op mijn boek van de kant van restaurantkoks, die het met me eens bleken te zijn dat de voedselmanie in onze cultuur hoognodig op de hak moest worden genomen. Maar anderen namen het minder positief op. Zoals de voedsel- en wijnschrijver van de Europese editie van The Wall Street Journal, een heerschap dat zichzelf omschrijft als iemand die ‘zijn passie voor lekker eten en drinken botviert op de meeste continenten’, zonder te verklappen welk continent zo jammerlijk van zijn culinaire excursies verstoken blijft. (Misschien laat hij een tripje naar Antarctica voor een portie vers doodgeknuppelde zeehondenbaby liever aan zich voorbijgaan?) Zo iemand zou natuurlijk nooit toegeven dat de belangstelling voor eten overdreven is, en zijn afwijzing was dan ook totaal. „Ik kom niet vaak een boek tegen waarin ik het met elke conclusie vierkant oneens ben”, schreef hij. „Maar bij You Aren’t What You Eat is dat het geval.”

Tot mijn verbazing was hij het zelfs oneens met mijn slotargument. Dat was mijn stelling dat het heilzame sociale aspect van eten – de maaltijd als moment van aangenaam samenzijn – verloren dreigt te gaan door onze fetisjistische fixatie op wat er op ons bord ligt. Als we met vrienden en dierbaren aan tafel zitten, moeten we er niet over in hoeven zitten of we het recept van de televisiekok wel correct hebben uitgevoerd, of dat we hopeloos achterlopen als we de scharrelschorpioen gesmoord in schrale boter bestellen. Het gaat in de eerste plaats om de gezelligheid; het eten zelf is van ondergeschikt belang.

Maar dat is misschien een moeilijk te verteren boodschap voor een professionele eetschrijver; ik heb zo het vermoeden dat de continenten doorkruisen om je vol te vreten een nogal eenzame bezigheid is.

Steven Poole is een Britse journalist en cultuurcriticus, hij schrijft artikelen voor onder meer The Guardian, The New Statesman en The Times Literary Supplement.

Vertaling Cecilia Tabak