Vluchten voor de vleugel

Arjen Fortuin grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

Schrijver Jan Brokken werd ziek op Curaçao. De buren kwamen de boze geesten voor hem uitroken en lieten een geitenschedel achter zodat ze ook niet meer terug zouden keren. Na een tijdje haalde de opgeknapte Brokken de geitenkop weer van het dak. ‘Een week later verzuimde ik mijn buurman te vertellen dat er bij me was ingebroken. Wat heet, dat drie deuren waren ontwricht en goeddeels vernield en dat de meeste van mijn bezittingen waren meegenomen, op mijn vulpen na.’ De anekdote staat in Dushi Willemstad [1] van Ko van Geemert. De contentieus schrijvende Van Geemert haalt onder meer de Zwarte-Pietdiscussie aan die W.F. Hermans in 1969 op het eiland voerde: ‘Ik geloof niet dat het allemaal verbeelding is, wanneer de negers denken dat deze folklore in stand gehouden wordt om hen iets te laten voelen.’

Ook journalist Kees Schaepman moet even iets voelen wanneer hij zich als burger nummer 1.321 inschrijft bij de burgerlijke stand van de Duitse gemeente Georgsdorff. De beambte voegt hem toe: ‘U bent ingeschreven, niet ingeburgerd. Daar komt heel wat meer bij kijken.’ Niet alleen aan Duitse kant, zo blijkt uit het vervolg van Schaepmans migratierelaas Mag ik mijn fiets terug? [2] Het is een niet overdreven gestructureerd verhaal, waarin een onderzoek naar het (oorlogs)verleden gecombineerd wordt met journalistieke twijfels en bekentenissen, zoals de hand die een Novib-directeur hem weigerde nadat hij voor het eerst een stuk tégen de als linkse held begonnen Zimbabwaanse leider Mugabe had geschreven.

Schaepman mag Amsterdam verlaten hebben, inmiddels blijkt Amsterdam-Oost ‘het literaire epicentrum van Nederland’. Dat melden de makers van Oost. Het literaire centrum van Amsterdam. [3] Overdreven? Misschien, al is het stadsdeel groot op de literaire wereldkaart gezet door Het diner van Herman Koch – maar hij komt in Oost niet voor. Maar een zin als ‘Vanmorgen stond de handhaving op mijn stoep’ van Tjitske Jansen doet een mens goed. Net als het stuk van Philip Snijder – een migrant, afkomstig van Bickerseiland – een mooie kwalificatie geeft van de geluiden die omwonenden van De Meer hoorden als Ajax scoorde (‘een gelijktijdig orgasme van 25.000 mannen’) of een goal tegen kreeg: ‘het geluid van hetzelfde aantal mannen die precies tegelijk keihard hun kop stoten, maar zich groot willen houden en doen alsof ze helemaal geen pijn voelen.’

Niet alleen voetbal leent zich uitstekend voor levensmetaforiek, ook golf – als we P.G. Wodehouse moeten geloven. Met Golf is geluk [4] brak hij een lans voor de sport die ooit is gekwalificeerd als een hogere vorm van wandelen. Het boek verscheen in 1922, toen de clubhuizen nog een rookzaal hadden en een bel die je kon indrukken als de bediening moest opdraven. Mooie sfeerbeelden dus: ‘Vanaf de andere kant van het vertrek keek het Oudste Lid hem door de opkringelende rook van zijn pijp met ernstige en droeve blik aan.’ De bal is klein en de wereld groot in dit boek, dat vooral menselijke verhalen van rondom de golfbaan bevat. En aforismen met een, eh, touch of Britishness: ‘Bij diepgewortelde vriendschappen tussen mannen (zei het Oudste Lid) is sprake van een soort karmische vanzelfsprekendheid die eigenlijk alleen vergeleken kan worden met iets als het eeuwenoude natuurlijke verbond tussen ham en eieren.’

Of, zou je zeggen, het natuurlijke verbond tussen de echte lezer en Bohumil Hrabal. Zijn liefdevolle absurdisme maakte hem al tot een van de schitterendste schrijvers van Europa toen hij in 1987 de vogels onder zijn raam wilde voeren en zijn evenwicht verloor. Drie Hrabalromans zijn nu gebundeld onder de titel Verpletterende schoonheid [5]. De titel is een understatement over een vleugel die in de oorlog van een jachtvliegtuig werd afgeschoten: ‘Maar de vleugel bleef onderwijl boven ons stadje zweven en iedereen keek ernaar, net zo lang tot het ding met een knarsende beweging neerdaalde boven hetzelfde plein, waar de gasten van beide cafés naar buiten stormden, en daarna bewoog alleen nog de schaduw van die vleugel zich over het plein en de mensen renden nu eens naar de overkant van het plein, dan weer naar deze kant, waar ze zo-even nog hadden gestaan, want de vleugel pendelde voortdurend als een reusachtige slinger heen en weer en joeg de mensen steeds op in de tegenovergestelde richting van de mogelijke landingsplaats en bracht daarbij een steeds sterker geraas en een soort zingend geluid voort.’

    • Arjen Fortuin