Column

Vernieuwing

Meer nog dan om leiderschap, vraagt een crisis om vernieuwing – en dus om het talent nieuwe dingen te bedenken. Maar talent zelf vraagt niet per se om het oproepen tot excellentie of het stimuleren van ambities.

De valkuilen van een dergelijke aanpak werden onlangs in De Groene Amsterdammer weer eens gedetailleerd uit de doeken gedaan door de Amerikaanse onderwijskundige Alfie Kohn. Creatief leren denken kan alleen door uitdagingen. Dat verlegt echter het probleem. Want de vraag is dan hoe die uitdagingen ontstaan waardoor mensen groeien en leren vernieuwen. Daar heeft Kohn van alles op verzonnen, maar het blijft bij vaagheden als leren denken en betrokken zijn bij de leerstof.

Het werkelijke antwoord op de vraag naar uitdagingen is even voor de hand liggend als moeilijk te hanteren. Talent blijkt vooral te groeien door de echte uitdagingen die voortvloeien uit tekortkomingen van de persoon, zowel psychisch, sociaal als fysiek. Zoals de Canadese socioloog Malcolm Gladwell aantoont in David and Goliath: Underdogs, Misfits and the Art of Battling Giants, dwingen eigenschappen als klein van gestalte zijn (David, Napoleon) of lijden aan dyslexie (Ikea-oprichter Ingvar Kamprad) tot inventiviteit.

Inventiviteit helpt die tekortkomingen te compenseren, en heeft als neveneffect de versterking van wilskracht en eigengereidheid. En juist die laatste twee eigenschappen, dus het niet willen luisteren naar anderen, het afwijken van de norm en je eigen weg gaan, maken dat mensen hun talenten ten volle benutten. Niet dat het met een beetje koppigheid vanzelf gaat: Gladwell is ook de bedenker van de 10.000 uur-regel, die verklaart dat talenten pas werkelijk tot bloei komen als mensen zich meer dan 10.000 uur wijden aan de ontwikkeling van hun specifieke talent, of het nu om piano spelen of hockeyen gaat.

Dat vernieuwing niet ontstaat uit gekoesterd talent, maar juist uit marginaliteit, blijkt ook uit het boek van Anton Blok, De Vernieuwers, de zegeningen van tegenslag in wetenschap en kunst 1500-2000. Tegenslag in de vorm van armoede, nare of ontbrekende ouders, onwettig kind zijn, homoseksualiteit, tot een minderheid behoren (met name Joods zijn), afkomstig zijn uit de provincie, lichamelijke gebreken of ziekte, ongehuwd blijven, gevangenschap en verbanning: het heeft allemaal effect en Blok heeft er een prachtig schema van gemaakt, dat van Erasmus tot Schubert gaat via Darwin en Kafka.

Het zijn echter geen factoren die onderwijs of politiek kunnen beïnvloeden. Het beperken van beurzen tot wezen, minderheden en gehandicapten is uiteraard niet de oplossing, want je mag de bevindingen van Gladwell en Blok niet omdraaien. Conclusie: buitenstaanderschap en tegenspoed zijn noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarden voor talent en vernieuwing.

Zouden de constateringen van Gladwell en Blok niet alleen voor individuen gelden, maar ook voor volkeren en landen? Je zou kunnen denken van wel. Minderheden, vooral vervolgde minderheden zoals Armeniërs, brengen getalenteerde en ondernemende mensen voort, net als kleine landen zoals Libanon. En dat veilige Nederland?

Wij wonen in een land waar koppigheid en onaangepastheid ontstonden uit tegenspoed in de vorm van een natte, overstromingsgevoelige delta aan de rand van het Romeinse rijk. Vernieuwingen als dijken, slimme landbouwtechnieken en gedurfde handelsnetwerken hebben het land voorspoed gebracht. Marginaliteit en tegenslag zijn verdwenen, voorspoed is de norm geworden. In de watten gelegd worden is tot collectief recht verheven. De koppigheid is gebleven, maar leidt nu eerder tot verongelijktheid dan tot vernieuwing. Zo wordt de huidige crisis door de meerderheid ervaren als een onverdiende tegenslag. Deze reactie is even behoudzuchtig als onterecht. Tel uw tegenslagen als zegeningen en neem risico’s! Want wie niet bereid is te verliezen, kan ook niet vernieuwen.

Louise O. Fresco is columnist van NRC Handelsblad. De columns van Marike Stellinga en Rosanne Hertzberger verschijnen volgende week weer.