Terug naar de bronnen van Zwarte Piet

Zwarte zeeman in ‘Het vrolijke prentenboek voor kinderen’ van uitgever G.Theod. Bom (Bron: KB)

Voor de huidige acceptatie van Zwarte Piet maakt het natuurlijk niet uit hoe er 150 jaar geleden tegen het mannetje werd aangekeken. Maar nu de VN het Sinterklaasspel opeens in verband brengen met slavernij, wil je wel eens precies weten waar de bijfiguur vandaan kwam. Dit terrein is in Nederland minutieus in kaart gebracht door de neerlandicus Frits Booy en door John Helsloot van het Meertens Instituut. De een publiceerde zijn onderzoek in Op zoek naar Zwarte Piet (2008), de ander bracht een analyse onder in de bundel De kleine Olympus, uitgegeven door de KNAW (ook 2008). Los daarvan publiceerden ze ook op andere plaatsen.

De overeenstemming tussen hun analyses is bevredigend. Zij plaatsen het eerste verschijnen van de knecht van Sint Nicolaas in het tijdvak 1848-1850. Dan duikt hij op in het boekje Sint Nikolaas en zijn knecht dat de Amsterdamse onderwijzer Jan Schenkman uitgeeft bij G. Theod. Bom in de Kalverstraat (bekijk het op dbnl.org). Vóór die tijd opereerde Sint Nicolaas in de Nederlandse literatuur altijd zonder helper. Opeens is hij er, en prompt is het een neger. (Het woord ‘neger’ valt hier niet te vermijden.)

Waarom? Daarover is academischer gefilosofeerd dan strikt nodig lijkt. In de omgeving van Nederland hadden Saint Nicolas en Sankt Nikolaus heel váák een knecht, in West Duitsland heette hij Knecht Ruprecht en er zijn aanwijzingen te over dat men dit hier drommelsgoed wist. Er werd in de 19de eeuw veel uit het Duits vertaald en books.google.nl brengt de geïnteresseerde zonder omhaal bij christelijke en pedagogische literatuur uit de periode 1820-1835 waarin Knecht Ruprecht ter sprake komt.

In het ABC-boek Tante Keetje’s prentenboek (1854) komt een rare ‘Sint Nikolaas’ voor die in het origineel (Lustiges Bilderbuch van Franz Pocci, 1852) Knecht Ruprecht heet (zie dbnl.org). In het leesboekje De beminnelijke Gerrit van de Groningse onderwijzer Roelf Rijkens komt ook een figuur voor die Sint Nicolaas moet voorstellen maar die eveneens veel meer lijkt op de sjofele Ruprecht (dbnl.org). De primitieve plaatjes, die in de eerste druk van 1822 al behoorlijk ouderwets aandoen, zijn mogelijk uit een ouder Duits boekje overgenomen. Frappant is dat precies hetzelfde figuurtje vanaf 1848 jarenlang in dagbladadvertenties als het vaste Sinterklaas-vignet is gebruikt – naast het vignet met de klassiek bemijterde Nicolaas (zie kranten.kb.nl). Kennelijk begrepen de lezers de relatie van het kereltje met Sinterklaas. Wie toch in het krantenarchief van de KB rondkijkt, stelt moeiteloos vast dat de helper van de Nederlandse Sint Nicolaas na 1870 geregeld nog Knecht Ruprecht wordt genoemd.

Een knecht was zo raar niet. Maar waarom uitgerekend een neger? Wel, het zou een misverstand kunnen zijn. Auteur Schenkman noemt de knecht maar één keer zwart: in relatie met de schoorsteen. De anonieme tekenaar die de plaatjes maakte heeft het misschien verkeerd begrepen. Of misschien had hij gehoord dat Ruprecht in Duitsland ‘schwarze Knecht’ genoemd wordt. Het kan ook een gekke inval zijn geweest. Helsloot en Booy zitten ermee in hun maag en komen met ingewikkelde verklaringen. De suggestie dat de knecht een page was (zoals kunsthistorica en Sinterklaaskenner Eugenie Boer opperde) is opeens heel populair. Een page! Maar zo beschrijft Schenkman hem absoluut niet en zo wordt hij in de eerste druk ook helemaal niet afgebeeld. Eerder als een gymnastiekleraar of zeeman in een broek die op twee plaatjes wat ruim uitvalt (‘harembroek’). Ja, er zijn vrolijke rode biesjes en biezen op te zien maar die zijn tijdens het handmatig bijkleuren aangebracht. Daar zit de fantasie van een derde persoon in. Denk het rood weg en er verschijnt een heel neutraal pak. Het echte pagepakje van de latere drukken, dat ons natuurlijk in de eerste plaats aan de opera doet denken, is voor de reconstructie niet relevant.

Waar kwam het idee van een neger vandaan? De slaventransporten onttrokken zich aan het oog van de Amsterdammer, maar het is aannemelijk dat er van tijd tot tijd gewoon een zwarte zeeman door Amsterdam liep. Een aanwijzing daarvoor komt nota bene uit een ander kinderboek dat Bom uitgaf: Het vrolijke prentenboek voor kinderen, gedateerd 1850-1860 (dbnl.org). Daar sjouwt er een met een zeemanskist langs het Oosterdok. ‘Is dat niet een schoorsteenveger?’ vraagt een passerend knaapje – een zwarte zeeman trok de aandacht. In het boekje van Schenkman loopt de zwarte knecht tijdens de ‘intogt’ ook al met een kist te sjouwen.

Een page? Onderwijzer Rijkens in Groningen had het kunnen bedenken. Hij was een belezen man van moderne pedagogische inzichten met een afkeer van de Sinterklaasmaskerade. Maar onderwijzer Schenkman uit de Anjeliersstraat in de Jordaan lijkt niet een figuur van vernieuwing. Er is veel over hem te vinden in het KB-krantenarchief, want hij werd erg populair met zijn snaakse en luimige rijmen en verzen. Veel sympathie verwierf hij in 1850 met een open Rekwest waarin hij het gemeentebestuur verzoekt de zogenoemde ‘Kermisvreugde ter beurze’ weer toe te staan. (Tijdens de kermis mochten Amsterdamse kinderen in de beurs spelen.) Maar een Theo Thijssen was hij niet, eerder een volksdichter die zijn succes commerciëel uitbuitte. In 1851 gaat hij ook rijmpjes schrijven voor de verpakking van ulevellen. Hij is een ulevelletjespoëet, begrijpen de dagbladen. Je zou zeggen dat deze poëet op zijn wandeling van Anjeliersstraat naar Kalverstraat, waar Bom zat, eerder een Westindische zeeman dan een page tegen kwam.

Met dank aan Jaap Engelsman.

    • Karel Knip