Staande ovatie

Zlatan Ibrahimovic zei dat hij ontroerd was door de staande ovatie waarop het hele stadion hem trakteerde na zijn magistrale derde doelpunt in de wedstrijd tegen Anderlecht. Een schicht, een fluorescerende streep van Mondriaan, meetkunde met de snelheid van het licht, you name it.

Hoe dan ook: van een weergaloze schoonheid.

En daar gingen dus ook de handen van de Anderlechtsupporters voor op elkaar. Overigens ook die van de reservebank. Applaus voor de vijand: je ziet het een enkele keer bij tennis, bij voetbal vrijwel nooit. Ik kan mij maar één groots moment van uitruil herinneren in november 2005. Toen Barcelona op het veld van aartsrivaal Real Madrid met 3-0 kwam winnen en uitblinker Ronaldinho een staande ovatie kreeg.

Maar misschien was het meer een treiterovatie naar de eigen spelers.

Ibrahimovic had bij zijn wonderdoelpunt al het hele stadion ingepakt met een fluwelen hakbal. Hij zou die avond vier keer scoren. Dan heb je het niet meer over die ene kanonskogel, maar over een chef d’ oeuvre. En ook dat is nog te bekrompen. Eigenlijk draagt de Zweedse spits van Paris Saint-Germain een reeks toverdoelpunten met zich mee. Zowel in interlands als voor zijn clubs scoorde hij mateloos op acrobatisch vernuft en instinct. Hakjes, strepen, omhaal, carambole… het zit allemaal in het pakket.

Getekend goochelaar Ibrahimovic.

Zijn internationale voetbalcarrière kende een relatief stroef begin bij Ajax. De spits puberde er toen nog flink op los. Hij liet zich opjagen door incidenten met coach Ronald Koeman en ploegmaat Rafael van der Vaart. Met toenmalig Ajacied Mido kwam het zelfs tot handgemeen. Een lichte vorm van asociale eenkennigheid kon hem in die dagen niet ontzegd worden.

Het temperament van de krijger voltooide het zelfgekozen isolement.

Ajax was te klein voor Zlatan, te provinciaals. Hij wou naar echte voetbalsteden als Milaan en Barcelona. Hij wilde het applaus van de kenners. Overal waar hij gespeeld heeft, is Ibrahimovic gekoesterd als volksheld. Nog het minst bij Barcelona, al kwam dat vooral door karakteriële onverenigbaarheid met coach Guardiola.

Sportpsychologen waren gauw klaar met het applaus van de Anderlechtsupporters voor Zlatan. „Zo’n ovatie voor de vijand kan alleen maar bij een wedstrijd met een buitenlandse tegenstander en als het verschil tussen beide ploegen echt immens is.”

Een applaus voor een Feyenoorder in de Arena zou niet kunnen en voor een Ajacied in de Kuip ook niet? Ouderwetse vijandbeelden. Laatst kreeg de PSV’er Bakkali ook van het hele stadion een ovatie, inclusief de vijand.

Er is zoveel verloop bij voetbalclubs dat vriend en vijand steeds meer dode zo niet loden begrippen zijn in een stadion. En er is de omslag van strijd naar schoonheid. Het gaat nu meer om de artistieke hoogstandjes in een wedstrijd; het bruto resultaat volstaat niet. Referenties verschuiven. Siem de Jong wil vergeleken worden met Eden Hazard van Chelsea, niet met Immers van Feyenoord.

Ach, de voetbaljihadisten.

In het naspel van de Zlatanshow werd op de Nederlandse televisie een oorlogje uitgevent tussen fervente bewonderaars van Cristiano Ronaldo en van Zlatan Ibrahimovic. Het ging erom wie van de twee de grootste vedette was. Balorig amusement: meer kwam er niet uit. Natuurlijk zijn ze in hun grootheid onvergelijkbaar, Ronaldo en Zlatan. Zoals Van Persie en Van Basten ook altijd onvergelijkbaar zijn gebleven. Ronaldo heeft de gratie van een veryupte aristocraat, Ibrahimovic mag koketteren met de authenticiteit van de rebel.

So what?

In hun genialiteit op het veld zijn ze uit dezelfde goddelijke rib gesneden.

Wereldwijd engelenkoor aan hun beider voeten.

Hugo Camps is journalist, columnist en schrijver.