Onderscheid maken tussen ‘onecht’ en ‘ondergeschoven’ kind

Het artikel van Lucas Brouwers over vaderschap (NRC Handelsblad, 23 oktober, ‘Slechts één procent onechte kinderen’) is wat slordig met de termen ‘ onecht kind’ en ‘bastaardkind’. Op dat onderwerp ben ik ervaringsdeskundig, daarom de volgende opmerking. Niet als verwijt of terechtwijzing, wel als correctie of aanvulling.

Een onecht kind heeft een ongehuwde moeder en heeft officieel géén vader. Als een kind binnen een huwelijk geboren wordt en opgroeit, inclusief familienaam en alle rechten, maar verwekt is door een andere man dan de echtgenoot, is dat een ‘bastaard’ of ‘ondergeschoven kind’.

Sedert 1931 ben ik een ‘onecht kind’ omdat mijn ouders niet volgens de huwelijkswetgeving getrouwd waren. Op mijn geboortebewijs staat een kruis op de plaats waar de naam van de vader ingevuld moest worden. Mijn moeder was een ‘ongehuwde moeder’, zij leefde ‘in concubinaat’ dan wel ‘hokte met’ mijn vader. Dat was een schande met heftige maatschappelijke gevolgen. Het werd mij tot in 1955, toen ik onderwijzer bij de gemeente Amsterdam wilde worden, publiekelijk aangerekend.

Mijn ouders hadden principiële bezwaren tegen de toenmalige huwelijkswetgeving omdat die de vrouw ernstig benadeelde, handelingsonbevoegd en afhankelijk maakte. Op dat gebied was mijn moeder (1907-1972) ervaringsdeskundig; haar eigen vader gebruikte een erfenis van zijn eerste vrouw voor 2 ha bouwgrond met een huis voor hem en zijn tweede echtgenote. Daarvoor was hij, ook in 1907, wettig gescheiden van zijn eerste vrouw die met de twee kinderen, nauwelijks gealimenteerd, elders moest gaan wonen.

Hajo Vleming (volgens de wet) of Hajo Westra (biologisch)