Nou, dat was me something

Monique Snoeijen schrijft de soundtrack van haar leven. Deze week: de kracht van woorden.

Ik geloof niet dat ik zou kunnen trouwen met iemand die geen Nederlands spreekt. Hoe zou ik hem moeten uitleggen dat ik mijn keukenmuur oranje heb geschilderd omdat de naam van de kleur me zo beviel: ‘Genot’. Of dat ik zo blij ben dat Martin Bril wel ooit de afslag naar Hank Dussen nam. Omdat ook ik altijd even hardop ‘Hank Dussen’ zeg als ik over de A27 naar Breda rijd. Hank Dussen is, in de woorden van Bril, „een knoestige man op hoge rubberlaarzen, shagrokend met stoppelbaard en pick-uptruck, vrijgezel met handen als kolenschoppen, lievelingseten: bruine bonen.” En als mijn aanstaande wel Nederlands zou spreken, maar hij zou Harm heten, dan zouden we ook een probleem hebben. De naam Harm geeft me rillingen. Harm is een man in een pastelkleurige pullover met treintjes op zolder.

Aan de kracht van woorden dacht ik toen ik afgelopen week voor mijn werk had afgesproken met een Britse journalist, notabene op het terras van de coffeeshop van de British Library. Ik kende zijn artikelen. Dus ik wist hoe geestig hij was. En ik had zijn foto gezien. Jude Law was er niets bij. Maar ik had hem nog niet horen spreken. Nou, dat was me something. Uit zijn mond rolde de ene na de andere volzin in het Britse accent waar ik altijd een beetje slap van word. Elk woord plaatste hij met precisie, alsof hij op het toneel stond. In elk van zijn zinnen zat een grap die eruit wilde. Van een afstandje moet het eruit hebben gezien als twee mensen die een echt gesprek voerden, maar – ik zeg het maar eerlijk – ik verstond niet alles.

Voor de goede orde: ik spreek prima Engels. Moet je me eens horen als ik Engels met een Fransman spreek. En ik zou ook heel goed een Russische diplomaat in mijn beste Engels kunnen uitleggen dat hij zijn kinderen niet mag slaan. Maar nu – in een poging net zo geestig en eloquent te zijn als mijn Britse gesprekspartner – had ik het moeilijk. Ik kon maar één kant op: kort door de bocht.

Is een taalbarrière in de liefde een voordeel of een nadeel? Wint de liefde erbij als je je niet verliest in verbale haarkloverij? Ik denk met weinig vreugde terug aan de oeverloze uitmaakgesprekken waarvan de kern van de zaak toch in een paar simpele woorden te zeggen viel: ‘ik wil niet meer met je, want ik vind je saai (boring)/gestoord(mental)/niet lekker ruiken(you stink)’.

Mijn beste vriend vind dat ik woorden overschat. Zelf kijkt hij graag naar films van de Chinese regisseur Wong Kar-Wai (In the Mood for Love), omdat daar zo weinig in wordt gesproken. Hij vindt het armoede dat alles altijd maar gezegd moet worden. Mensen letten niet meer op elkaar: Oh? Was die en die depressief? Had ’ie dat dan niet even kunnen zeggen? En of ik me wel eens heb afgevraagd waarom ik, toch een volwassen vrouw, zo graag op stal sta bij een obese shetlander? Zou ik daar tussen het stro ook zoveel rust vinden als die shetlander praten kon. Als ze niet zachtjes zou hinniken als ze me zag, maar me toe zou blaffen: „Zo, ben je er nou al weer met je rotkop?” Zou het waar zijn: is de liefde tussen mensen en dieren alleen maar zo mooi omdat dieren niet praten kunnen?

Terwijl ik achter haar oor kroelde, bedacht ik dat het best wel gek was dat er een shetlander aan te pas moest komen om me te doen inzien dat woorden het menselijk tekort alleen maar groter maken. En ik zou bij God niet weten hoe je dat in vloeiend Engels zeggen moet.