Mythes uit de stikvallei

In een afgelegen vallei in Kameroen sterft in 1986 in één dag al het leven uit. 1.746 inwoners, en hun dieren, vallen dood neer. Nu, ruim 25 jaar later, doen tal van mythische verhalen de ronde over de toedracht van deze ramp. Frank Westerman reisde af naar Kameroen en tekende ze op in zijn nieuwe boek Stikvallei. Hoe ontstaan verhalen?

Links: lichamen in Lower-Nyos, de dag na de ramp. Foto Dean YeomanRechts: Lake Nyos, kort voor de ramp. Foto Getty Images

1Na afloop van de vroege mis blijven de parochianen van Father Fred bij het altaar dralen. Het is zaterdag 23 augustus 1986, zeven uur ’s ochtends. Haastig en met hoorbare huiver hebben de kerkgangers hun gebeden opgezegd, en nu willen ze napraten. Fred ten Horn, missionaris te Wum, luistert mee.

Een verpleegster – ze is direct uit haar nachtdienst naar de mis gekomen – vertelt over een motorrijder die met geschroeide longen op de eerst hulp is binnengebracht. Er lagen lijken, zei hij, op de Ringroad. Zoveel dat hij eromheen had moeten slalommen. Er lag ook een dode antilope. Een hinde. Hij had haar op zijn bagagedrager gebonden, maar de politie had het dier in beslag genomen. Haar vacht was nergens geschonden. Niet door een speer, niet door een kogel, niet door een beet.

Als de parochianen even later vertrekken, bergt pater Fred zijn habijt op in de sacristie. Hij besluit te gaan tanken. De Total-pomp op de driesprong, daar waar de Ringroad afsplitst richting Nigeria, is het centrum van Wum. Je kunt er motorolie en benzine kopen, maar het bijbehorende, betraliede winkeltje doet vooral dienst als zenuwknoop voor nieuws uit de regio, dat zich hier verzamelt en vervlecht, voordat het weer uitrafelt in nieuwe strengen. Terwijl Fred zijn missiewagen volgooit met diesel, rijdt de SDO voorbij, Mr. Francis Yengo. Hij is Senior Divisional Officer, een rang tussen burgemeester en gouverneur in. Zijn geblindeerde terreinwagen cirkelt over de rotonde en slaat rechtsaf, richting zijn kantoor aan de oever van het Wummeer, en dat is merkwaardig omdat de SDO normaal gesproken niet werkt op zaterdag.

Fred stapt de weg op, de SDO heeft hem gezien want zijn chauffeur trapt op de rem.

„Wat is er gaande?”

„We weten het niet, Father. Maar we gaan het uitzoeken.”

„Kan ik mee?”

„Rij maar achter me aan.”

Alle machtige ingezetenen van Wum (diegenen die over een fourwheeldrive beschikken) parkeren bij de poort van het SDO-kantoor aan het cirkelvormige Lake Wum.

Na een vergadering achter gesloten deuren komt de SDO naar buiten. Hij geeft de politiecommandant opdracht een colonne te formeren, zelf gaat hij voorop. Er volgen twee busjes die dienstdoen als ambulance, een oude brandweerauto, een legertruck met soldaten en een vloot aan terreinwagens, waaronder de jeep van het Kimbi Wildreservaat. De kerkauto van pater Fred is grofweg voertuig nummer twintig, gerekend vanaf de kop. Kruipend langzaam begint de stoet de Ringroad te verkennen.

Na anderhalf uur rijden komt de colonne tot stilstand aan de rand van het plateau van Kumfutu. In dit gehucht heeft Fred een kerkje van leem en golfplaat aan een van de weinige meren die volgens geologen geen vulkanische oorsprong heeft. Waarom er wordt gestopt is onduidelijk. Fred stapt uit om poolshoogte te nemen en loopt naar de kop van de wagenslang, waar de SDO en zijn adjudanten uitkijken over het dal van de rivier Katsina Ala. Alles is honderdvoudig groen daar beneden, en alles dampt van de vruchtbaarheid.

Fred ten Horn biedt de heren een sigaret aan, een zware zonder filter. Ze bedanken. De SDO zwijgt. Zijn politiecommandant wijst op de nevelflarden die zich boven het dal tot wolken voegen. „We gaan terug”, zegt hij.

„Verdergaan is onverantwoord”, vult de SDO aan.

Fred begrijpt er niets van. Ze zijn toch niet bang om ginds in de modder te stranden?

„Nee”, zegt de SDO, „er hangen gifdampen in de vallei. We weten niet of het veilig is.”

Het is voor het eerst dat Fred de woorden ‘gif’ en ‘dampen’ opvangt. „Misschien zijn er gewonden?” Het lijkt hem onverantwoord om juist nu te stoppen. Als hij geen reactie krijgt, vraagt hij toestemming om alleen verder te mogen.

De SDO legt een hand tegen Freds bovenarm. „U bent een man van God”, zegt hij, „de Heer zal met u zijn”.

De politiecommandant zegt: „U rookt, u bent gewend aan gassen. U kunt er beter tegen dan wij.”

Er wordt nerveus gelachen. Fred ten Horn gaat zijn pick-up halen en manoeuvreert langs de stilstaande auto’s naar voren. De afspraak is dat de gezagsdragers zullen wachten tot hij terug is. Fred steekt zijn hand op en stuurt zijn witte Toyota stapvoets omlaag in de richting van het gehucht Cha.

2Op hetzelfde uur navigeert Dean Yeoman zijn helikopter over de noordelijke Grassfields. Op het staartstuk staat in plakletters: HELIMISSION. De piloot heeft twee evangelisten gedropt bij een dokterspost. Op de terugweg vliegt hij over de meren Njupi en Nyos. Ondanks de laaghangende wolken ziet Dean dat er iets geks aan de hand is met Nyos: het water is roodbruin, en niet blauw. Njupi, vlakbij, is niet van kleur verschoten. Hij laat zijn helikopter zwenken en beschrijft een extra lus. Dan ziet hij dat de waterspiegel met minstens een meter is gedaald: er tekent zich langs de rotswanden een streep af – „als een rand van vuil in een wasbak”.

Dean Yeoman blijkt een man van weinig woorden: het verslag dat hij later aan zijn hoofdkwartier in het Zwitserse Trogen stuurt beslaat amper twee kantjes.

Nyos ziet eruit als een doodse poel met zwarte vlekken. Er drijven takken op het water. De klif in de westhoek van de krater is wit in plaats van donker. Op de hellingen liggen dode dieren. Ik zie opgeblazen karkassen van koeien. Als ik boven het dorp vlieg beginnen de ware dimensies van de ramp tot me door te dringen. Mijn oog ontmoet honderden dode mensenlichamen. Ik vraag Jezus om wijsheid en kracht.

Vanuit de hoogte ziet Yeoman een witte pick-up rijden: het enige bewegende object tussen de doden. Nergens in het dorp is een levende ziel te bekennen, toch bestuurt iemand een auto. Yeoman houdt het voertuig in de gaten. Wanneer het halt houdt tussen de dode koeien op de markt en er een mansfiguur uitstapt, besluit hij te landen.

3Hoewel op de sterftekaart van de wetenschappers een volledig zwart bolletje in de legenda staat omschreven als ‘% population dead = 100’, en al draagt Lower-Nyos als enig dorp zo’n volledig zwart bolletje, in werkelijkheid waren er twee overlevenden. Een Fulani-vrouw die op de helling tegenover de smidse woonde, en een meisje van tien. Het meisje was haar stem kwijt. Pas dagen later in het ziekenhuis van Wum kon ze voor het eerst iets uitbrengen. Dat ze Patience heette, om te beginnen. Er was een politieman bij haar bed komen zitten die proces-verbaal opmaakte.

Patience zei dat ze die avond, het was toch vakantie, bij haar beste vriendin had mogen logeren, samen in hetzelfde bed. Ze was in slaap gevallen en als eerste wakker geworden. Om niemand te storen was ze stil naar buiten gegaan, waar ze had zitten wachten. Geen van de familieleden maakte aanstalten om op te staan, en daarom was ze teruggelopen naar haar eigen huis. Iedereen sliep nog hoewel de zon al op was, en er lagen dronkaards op de weg en in het gras. Thuis was alles ook nog stil.

Patience had opnieuw een poos gewacht, tot ze stemmen hoorde in het Hausa-quarter, het wijkje van de Biafra-vluchtelingen. Ze was gaan kijken zonder gezien te worden. Het waren herders in hun beige kaftans die voor het vrijdaggebed uit de bergen waren gekomen. Patience had zich verstopt omdat ze zo schreeuwden.

En verder, wat had ze verder gedaan?

Ze wist het niet meer.

Wat herinnerde ze zich?

Haar stem stokte. Niets. In ieder geval niet iets waar ze woorden voor had.

Maar dacht ze niet: dit klopt niet?

Patience schokte met haar schouders.

Had ze wat gegeten of gedronken?

Nee. Of ja, suikerriet om op te kauwen. Bijna onhoorbaar fluisterde ze dat ze bij de auto was gaan zitten van een white father, die ze niet kende, en die had haar meegenomen.

Maar dat was pas de volgende dag?

Started crying, stond er in het verslag, gevolgd door: End of interview.

4De avond van 21 augustus 1986 schrijft geschiedenis. Voor de inwoners van de jonge Republiek Kameroen was de Nyosramp een landelijke siddering die het tot dan toe ontbrekende eenheidsgevoel voor het eerst wist op te wekken. Een historicus in Yaoundé schreef: „De Nyosramp maakte van de dodenvallei het Hiroshima van Kameroen.” De plotselinge dood van 1.746 Grassfielders, samen met hun vee, was zo’n gebeurtenis waarvan iedereen die bij zijn volle verstand was nog scherp weet waar hij was, wat hij aan het doen was en in wiens gezelschap – op het uur dat het nieuws toekwam.

Bole Butake was op weg naar Iowa City. Hij had een vliegticket voor woensdag 27 augustus en kon op maandagochtend zijn visum afhalen. Butake, docent drama aan de Universiteit van Yaoundé, voegde zich in de rij voor het Amerikaanse consulaat in de Rue de Nachtigal. De rij lag als een slang om de straathoeken bij de overdekte markthallen en werkte zich lui en schoksgewijs naar binnen. Sommige wachtenden hadden een krant tot hoofddeksel gevouwen tegen de ochtendzon. Hun staat van lome lijdzaamheid werd verscheurd door een berichtenflard: meer dan 1.200 doden langs de Ringroad. De bron was de gettoblaster van een straatverkoper, van waaruit het nieuws zich verder verspreidde als koudvuur. Bole kwam uit de getroffen zone, hij had ginds familie. Hij wist niet wat te doen. Zijn plaats in de rij opgeven, en daarmee zijn visum, zijn reis naar de States? Als docent drama was Butake uitgenodigd om deel te nemen aan de schrijfworkshop van de Universiteit van Iowa, de befaamdste creatief-schrijventraining ter wereld (de nog onbekende Orhan Pamuk was er cursist in het voorgaande jaar). Moest hij dit aanbod laten schieten?

Meer feiten dan Radio Cameroun prijsgaf waren er niet: dode mensen en dieren, het vermoeden van gifdampen, de quarantaine complète die de president voor de vallei had afgekondigd – aangevuld met geruchten over Israëlische commando’s. Bole besefte dat hij moest afwachten, en dat hij dit dan maar het beste kon doen in de rij waarin hij stond. Beslissen om niet te gaan kon altijd nog, desnoods last minute bij de incheckbalie op het vliegveld.

In de vertrekhal van Douala Airport was de revolutie uitgebroken. Er waren buikige C-130 transportvliegtuigen geland; het lossen van de lading liep deels via de passagiersterminal. De bagagekarren die normaal gesproken in treintjes van vier of vijf de koffers over het asfalt reden, waren in gebruik voor het vervoer van pallets flessenwater, dozen blikgroenten, medicijnen, tenten, dekens, laarzen, gasmaskers, ontsmettingsmiddelen. Bole Butake verliet Kameroen nadat hij van een familielid in Bamenda had vernomen dat zijn geliefde oom en diens gezin ongedeerd waren. Uit zijn dorp Noni waren zeven koopvrouwen vermist; ze waren op de onheilsdag met hun manden op hun hoofd naar Lower-Nyos gelopen.

Het duurde uren voordat Bole aan boord mocht en nog langer voor zijn toestel opsteeg, eerst naar Parijs, want voor de landen van Francafrique was Parijs nog altijd dé poort naar de rest van de wereld. Tijdens een ontvangst in Washington – waar een bezoek aan het Martin Luther King-centrum op het program stond – had hij waar mogelijk naar het tv-nieuws gekeken. Er waren beelden van vluchtelingen met brandblaren in het ziekenhuis van Wum, dode zeboe’s vanuit de lucht en geologen op bergschoenen. Pas na aankomst op de campus van Iowa State University en de kennismaking met de andere cursisten kon hij zich afzonderen. Het was niet voor 2 of 3 september dat Bole zijn pen op papier zette. Toen gebeurde het: de verhalen uit zijn kindertijd in Noni begonnen te schiften en te klonteren rond het puntje van zijn pen. Hij hoefde ze alleen maar in dunne leesdraden uit te strijken over de vellen die voor hem lagen. Voor het eind van de maand was hij klaar. Lake God, schreef hij erboven. Daaronder: drama.

5Wie de wraakoefening van het meer had zien aankomen, maar dit niet meer kon navertellen, was shey Nyasema, de ziener van Upper-Nyos. De oude Nyasema – dagelijks liep hij naar de vleermuisgrot om te mediteren – bezat twee paar ogen: een paar gewone, zichtbare, op de plek waar iedereen ogen heeft, en een paar onzichtbare, waarmee hij dingen kon zien die voor anderen verborgen bleven. Shey was zijn titel, die verband hield met zijn gave. Kinderloze vrouwen, of vaders die twijfelden over de uithuwelijking van een dochter, konden tegen betaling zijn visioenen raadplegen.

De meeste mensen kenden Nyasema alleen onder zijn bijnaam ‘Afrika’, wat niets afdeed aan zijn reputatie of de reikwijdte daarvan. Hoewel geboren en getogen in Upper-Nyos, hield shey Nyasema uit zakelijke overwegingen consult in een houten keet beneden aan de Ringroad, naast de houtzagerij van Lower-Nyos. Aldaar, 48 uur voor de gasuitbarsting, was Simon Tende, een monteur uit Batibo, bij hem te rade gegaan over de ziekte van zijn dochter, die onder almaar zwaardere malaria-aanvallen leed. Zou ze blijven leven? Wat moest hij doen, of laten, om dat te bewerkstelligen?

De monteur had verwacht dat Afrika zijn porseleinslakken tevoorschijn zou halen, zijn witte van de Atlantische kust en zijn blauwe uit Zanzibar. De ziener zou ze werpen en kijken hoe ze terecht kwamen, met hun getande spleet naar boven, óf naar beneden. Een handvol porseleinslakken zou het vonnis vellen over zijn dochter. Maar in plaats daarvan trof Simon Tende de oude man in verwarde toestand aan, strak voor zich uitstarend. Shey Nyasema zei aldoor: ‘Plenty people will die, plenty people will die.’

De ziener bezwoer hem dat er nijd broeide in het meer. Bij de vleermuisgrot waren de bladeren van de godenstruik, de nkeng, plotseling verdord, ze zagen roestbruin en hingen er op een ongewone manier bij: wijzend in de richting van Lake Lwi, het goede meer.

6Ik hou van verhalen. Van waargebeurde, waarachtige en fantastische. Als schrijver plant ik om de zoveel tijd een nieuw verhaal in het woud van de al bestaande. Het idee voor Stikvallei lichtte op in het Darwinjaar 2009 toen het Teylers Museum in Haarlem mij betrok bij een tentoonstelling rond twee legendarische schepen: de ark van Noach en de Beagle van Darwin. De eerste stond symbool voor de mythes uit de Heilige Schrift, de tweede voor de wetenschappelijke waarheid.

Dit zette me aan het denken over de herkomst van mythes, van al dan niet verzonnen verhalen die zo’n formidabele kracht bezitten dat ze zich mengen in de werkelijkheid. Ik vroeg me af: zijn die klein begonnen? En hoe dan?

Toen vonkte het. Ik dacht terug aan de Nyosramp, waarover ik ooit – in april 1992 – een radiodocumentaire had gemaakt: een momentopname van 45 minuten geluiden, gezangen en gesprekken. Nu ineens zag ik in de dodenvallei van Kameroen de ideale proefopstelling voor datgene wat ik wilde weten. De hele setting leende zich op een haast griezelig perfecte manier voor het onderzoek naar het ontluiken en uitbotten van verhalen. Ga maar na. De Nyosvallei is een overzichtelijk, begrensd stukje aardoppervlak. Op 21 augustus 1986 bij nieuwe maan klinkt tussen negen en tien uur ’s avonds een explosie. Dit is mijn uur nul, de oerknal waarmee alles begint. Bij zonsopkomst is het stiller dan stil – zelfs de krekels zijn opgehouden met tsjirpen. Van de bodem van de vallei komt taal noch teken. Pas daarna zwelt het geluid van de menselijke stemmen weer aan; in de dagen, maanden en jaren die volgen is er over de dodenvallei gesproken, geweeklaagd, geredetwist, gespeculeerd en gefabuleerd.

Ik nam me voor om alles of althans het meeste wat erover is gezegd en geschreven te ontleden in losse fragmenten. Door die kluwen draad voor draad te ontwarren hoopte ik te kunnen nagaan welke woorden zich aan de feiten hebben gehecht, en hoe die zijn vervlochten tot zinnen, metaforen en verhalen.

Een kwarteeuw is misschien kort, ik verwachtte niet dat er in vijfentwintig jaar een volgroeide, afgeronde ‘dodenvalleilegende’ zou zijn ontstaan. Maar dít moest kunnen: de ontkieming waarnemen van nieuwe, mythische verhaalstrengen.

7In juni 2011 reisde ik voor de tweede keer naar het Grassfields-district in Noordwest-Kameroen. Via Fred van ‘Fred’s Printshop voor Foto’s en Fotokopieën’ in Bamenda, die ook geldwisselaar is, kwam ik in contact met Marylin Fru - een gids in het bezit van een diploma ‘toerisme’. Ze was 34 en pasgetrouwd, werkloos vanwege het regenseizoen. Marylin, haar vlechten opgerold als slangen in een wijde baret, gaf me een voorzichtige hand om haar aanplaknagels niet te beschadigen. Haar excursies met toeristen, vertelde ze, waren doorgaans uitstapjes van een dag of een dagdeel. Maar ze kende wel iemand met een terreinwagen, een handelaar in bouwzand die net als zij de droge tijd afwachtte. Terwijl we naar het huis van de zandhandelaar liepen, vertelde Marylin over de picknicks die ze begeleidde voor hotelgasten op de oever van Lake Bambuluwé, in de heuvels achter de wijk Up-Station. „Je komt dan eerst langs een drassig stuk waar het meer vroeger lag”, vertelde ze. „Het ligt nu hogerop.”

Marylin, die dit zonder enige verbazing uitsprak, wist ook waarom Lake Bambuluwé zijn oude ligging had verlaten: omdat de vrouwen die op weg waren naar hun akkers zich er in wasten, wat alleen mocht als je niet menstrueerde, maar sommigen hadden zich daar niet aan gehouden, waarna het meer met een zucht omhoog was gekomen uit zijn bedding om zich in een bergplooi hogerop te nestelen. Ieder jaar in december, zei ze, offeren de kwifon en de Fon een geitenbokje – ze gooien het vlees in stukken in verschillende hoeken van het meer en letten dan op de kleur die het water aanneemt: stil en donker voorspelt narigheid, rimpelig en licht is goed.

„Er zit veel baars in het Bambuluwémeer”, zei Marylin, „Maar er wordt niet gevist.”

„Waarom is dat?”

„Jij eet je eigen voorouders toch ook niet op?”