Liefdesverklaring aan vliegende draken in prenten en verhalen

Draken bestonden echt, 70 miljoen jaar geleden. Quetzalcoatlus was een vliegend reptiel zo groot als een giraffe, had een spanwijdte van meer dan tien meter en scheerde met 100 kilometer per uur door de lucht. Eenmaal geland plukte de vleeseter kleine prooien van de grond met zijn meterslange snavel, als ware het een titanische ooievaar.

Quetzalcoatlus, vernoemd naar de ‘gevederde slang’ uit de Azteekse mythologie, was een pterosauriër. Deze groep vliegende reptielen stierf tegelijkertijd met de dinosauriërs uit. Het is maar één van tientallen soorten pterosauriërs die voorbij komen in Pterosaurs, een boek dat met liefde geïllustreerd en geschreven is door paleontoloog Mark Witton.

Bladerend langs de honderden prenten is het eerste dat opvalt is hoe bizar pterosauriërs eruit zagen. Met hun bonte kammen hebben de dieren op Wittons platen soms meer weg van creaties van Jim Henson dan beesten van vlees en bloed. Ook uit de tekst blijkt hoe werkelijk alles anders was aan deze vliegende reptielen. Vogelvleugels bestaan vooral uit spaakbeen, ellepijp en polsbotten. Die van veermuizen uit gespreide vingers. En pterosauriërs? Die vlogen met een immense ringvinger.

Geen wonder dat de eerste pterosaurusonderzoekers zich amper konden voostellen hoe deze dieren vlogen, opstegen en liepen. Witton beschrijft hoe pterosauriërs in het verleden zijn afgeschilderd als logge, stenen waterspuwers, of juist als gemankeerde vliegers met vleugels die veel te iel en zwak waren om zelf op te stijgen. Ze zouden alleen van de grond komen door zichzelf van een klif te storten. Hilarisch is ook de suggestie dat pterosauriërs op de grond over hun buik schoven, als trappelende baby’s met te korte armpjes.

Witton zigzagt moeiteloos tussen deze achterhaalde ideeën en moderne hypothesen. Want het pterosauriëronderzoek lééft. Witton haalt alle fossielen en studies aan waarmee paleontologen van deze verkeerd begrepen dieren weer volwaardige vliegers maken.

Ook hier tonen pterosauriërs zich van hun exotische kant. Ze stegen op als hoogspringers, door zich met hun bovenarm als polstok afzetten. En als ze liepen deden ze dat op vier poten, met de vliegvinger langs hun flanken gevouwen.

Witton durft vrij te speculeren over het gedrag van zijn lievelingsdieren. Gelukkig doet hij dat goed beargumenteerd. Uit de enorme benen kam van de mannelijke Pteranodon leidt hij bijvoorbeeld af dat mannetjes al pronkend wedijverden om harems van vrouwtjes.

Witton laat met zwierige zinnen en soms flauwe grapjes zien dat hij het wetenschappelijke paleontologenjargon kan ontstijgen. Toch verzuimt hij dat hier en daar. „Er zijn verschillende argumenten tegen deze hypothese geopperd”, schrijft hij bijvoorbeeld, gevolgd door een referentie naar een artikel van zichzelf. Waarom dan toch zo stijfjes?

In vijftien hoofdstukken komen alle pterosaurusfamilies voorbij. Dat zijn niet alleen maar droge beschrijvingen van hun anatomie, Witton luistert ze op met vermakelijke anekdotes, zoals over de paleontoloog die per ongeluk de tere beentjes van een van de oudste pterosauriërfossielen door de gootsteen spoelde.

Pterosaurs is het meest toegankelijke en beste standaardwerk dat over deze reptielen verkrijgbaar is. Een prachtig familiealbum, met encyclopedische trekjes. Zelf ziet Witton zijn boek vooral als een momentopname. Als iemand over tien jaar een nieuw overzicht zal schrijven, zullen er weer nieuwe soorten en inzichten zijn. Hopelijk is de auteur van dat toekomstige boek Witton zelf.

Lucas Brouwers