Klimmen jongens!

Wat doen mannen die jongens willen blijven? Ze plannen een fietsvakantie in de bergen. Bloed, zweet en voorpret.

De wind slaat zijn tranen tegen de binnenkant van zijn zonnebril. Alleen al de gedachte aan zijn kinderen doet hem huilen in de afdaling van de Timmelsjoch, de ruim 2.500 meter hoge bergpas tussen Oostenrijk en Italië. De snelheidsmeter van zijn racefiets geeft 76 kilometer per uur aan. Het is iets boven het vriespunt. Ruim tweehonderd kilometer is hij inmiddels onderweg. Zijn benen zijn zuur, zijn maag rommelt en zijn zitvlak schreeuwt om een lik Sudocrème. Wat begon als een uitdaging is verworden tot een obsessie. Afstappen is geen optie. Na 11 uur en 27 minuten komt Ids (39) in het Oostenrijkse skidorp Sölden over de finish. Nog altijd snotterend: „Schitterend, maar dit doe ik nooit meer.”

In een Amsterdams café zitten in het najaar van 2012 tien mannen aan een tafel. Een bedrijfscoach, een werkloze („Zelf zeg ik: werkzoekende. Dat klinkt beter”), wat marketeers, farmaceut Jaap, belastingadviseur Arjen, Volendammer Carlo en mijn vriend Ids. Ik zit op de hoek. De enige die ontbreekt is Stein, de luidruchtige Limburger. Het is een bij elkaar geraapt zootje, deze groep mannen van rond de veertig. Wat ons bindt is een onvoorwaardelijke liefde: de fiets. Voor ons geen kookclubs, yoga of nog erger: de Rotary. Racen willen we, niet praten. Zeker niet tijdens het fietsen.

Een paar maanden eerder hebben we samen de Dolomietenmarathon gereden. Althans, we zijn samen gestart, daarna was het ieder voor zich. De trip heeft ons in hogere sferen gebracht. Duitsers, Oostenrijkers en zelfs gedrogeerde Italianen; we snelden ze voorbij als waren zij hectometerpaaltjes. „Wat is er nu nog leuk om te rijden?” is dan ook de vraag, terwijl een nieuwe ronde bier wordt geserveerd. „De Ötztaler”, zegt Carlo (42). Het zegt de meesten niets. Het gemompelde bezwaar dat het „een monstertocht” is van 238 kilometer die bovendien pas laat in de zomer plaatsvindt, gaat ten onder in bravoure. „Proost!”

Bietensap

In de wintermaanden die volgen is alleen regen een reden om niet te rijden. Kou telt niet. „Bij iedere goede fietszaak verkopen ze bivakmutsen”, countert Carlo. Hij is de vleesgeworden fietsgekte. Carlo scheert zijn benen en doucht met zijn fiets. „Jij zet je kinderen toch ook onder de douche na het sporten?” En zoals elk jaar heeft hij ook nu een noviteit: bietensap. „Niet te zuipen, maar goed voor de aanmaak van rode bloedlichaampjes. Alle profs gebruiken het.”

Carlo is de soepel pedalerende kopman van ons twee jaar geleden gevormde fietsgroepje. Ids en ik, jongens van het platteland, volgen – op spierkracht en doorzettingsvermogen. De andere ‘Ötztalers’ trainen doorgaans alleen. Niet dat die inspanningen ongezien blijven. Via de site strava.com is alles te volgen. Met name de prestaties van de wat zwaarlijvige Stein (49) lopen in de gaten. Bij de Cycling Classic (‘De hel van Tongeren’) in België zien we de verklaring. Hij blijkt zeven kilo afgevallen, iets dat hij de rest van het seizoen niet zal nalaten te melden.

„God-ver-domme!” De koers rond Tongeren is eind juni amper een uur oud of de Limburger ligt naast zijn fiets. Schaafplekken alom. De onschuldige Belg die voor hem rijdt, moet het ontgelden. „Idioot!” Bedremmeld kijkt de man hoe Stein zijn dubbelgevouwen voorwiel in de struiken gooit. Ids snelt toe en probeert hem te kalmeren. Tevergeefs. Met plaatsvervangende schaamte rijdt de groep verder, de nog immer tierende Stein achterlatend. Die neemt, eenmaal thuis, rigoureuze maatregelen: een fonkelnieuwe fiets. Kosten: ruim 7.000 euro. Het enige attribuut dat de professionaliseringsslag overleeft, is zijn superdeluxe kilometerteller, ter grootte van een halve iPad. Dit tot hilariteit van de anderen. Tijdens een afdaling: „En Stein, nog nieuwe mail?”

Carlo heeft in de loop van het voorjaar de trainingsintensiteit opgevoerd, al doet de immer eufemistische toon anders vermoeden. „Morgen peddel ik 150 km. Wie gaat er mee?” Zijn voorstellen voor nog te verrijden trainingskoersen zijn eindeloos. Het leidt tot gezucht bij de jonge vaders in het gezelschap: „Hoe vrijgezel kun je zijn?”

Als de Ötztaler eind juni dichterbij komt, haakt de eerste af. „Ben er toch niet bij jongens dit jaar. Sorry.” De groep dunt snel uit. Het fanatisme onder de overblijvers zwelt aan. De gemiddelde snelheid tijdens oefenrondes loopt op naar 35 kilometer per uur, zonnige vakantiebestemmingen worden verruild voor de Alpen. Carlo heeft andere plannen. „Wie zou mijn racefiets mee kunnen nemen naar Sölden?” mailt hij. „Ik ga op de mountainbike naar Oostenrijk.” Een oorlogsverklaring, is de communis opinio. Alleen Jaap (38) toont die dagen enig relativeringsvermogen. „Mannen, ben net terug van vakantie. Geen fiets aangeraakt. Heerlijk.”

Op woensdagavond 21 augustus treffen we elkaar in de lobby van het hotel in het Oostenrijkse skidorp. Carlo is net aangekomen. Zijn wangen zijn ingevallen, zijn jukbeenderen steken uit. „Het was mooi, maar ik zou het niet nog een keer doen”, zegt hij. Niemand gelooft hem. Ook zijn commentaar na onze laatste trainingsrit in Oostenrijk („Het ging voor geen meter, ik reed vierkant.”) stelt niemand gerust. Het spel is begonnen, zoveel is duidelijk. Carlo: „Jongens, ik meen het. Ik ben kapot.” Yeah right.

Aasgieren

Op de wedstrijddag gutst het regenwater door de straten van Sölden. Vertwijfeld kijken we elkaar aan. Hebben we hier nu een heel jaar naartoe geleefd? De minuten voor de start is het koud. En stil. De bravoure heeft plaatsgemaakt voor wedstrijdspanning. Binnen het uur is iedereen elkaar kwijt. Alleen Arjen (37) en ik rijden nog samen. Berg op, berg af. Onafscheidelijk zijn we, 9,5 uur lang. Tot halverwege de Timmelsjoch onze tandem langzaam splijt. Ik kijk achterom. Arjen wappert met zijn rechterhand: ga maar, dit was het.

Maar waar is Carlo, die we bij de laatste voedingspost nog hebben gezien? „Ga maar, ik rijd mijn eigen tempo”, zei hij. Allesbehalve een aankondiging dat hij niet meer kan, leert de geschiedenis.

Eenmaal op de besneeuwde top van de Timmelsjoch rits ik mijn shirt dicht. Tempo, tempo, maalt het door mijn hoofd. De Volendamse hyena is nabij. De zonnebril, een noodzaak bij het dalen tegen vliegjes, komt straks wel. Nu telt iedere seconde. 20, 50, 65, 78 kilometer per uur; de weg leent zich uitstekend voor een snelle afdaling nu de zon is doorgebroken. In de haarspeldbochten een snelle blik achterom en dan gaat het weer: 20, 45, 70, 80. Heerlijk, na al die kilometers klimmen. Tot ik ineens in mijn ooghoek een blauw shirt ontwaar. Carlo!, schiet het door mijn hoofd. In een reflex knijp ik mijn bidons leeg. Scheelt toch snel een paar honderd gram. Maar wat ik ook probeer, in iedere bocht diezelfde naderende blauwe schicht in mijn ooghoek. Mijn benen doen pijn. De 5.500 hoogtemeters eisen hun tol. Tot eindelijk het finishdoek opduikt. Ik ben kapot en moet huilen. Van gecontroleerde emotie is geen sprake meer. Als een kind zit ik te snikken op mijn fiets. 22 seconden later arriveert Carlo. „Hoe lang ben je er al?” Samen zien we hoe kort daarna Arjen binnenkomt, op ruime afstand gevolgd door Stein („Tot de Timmelsjoch zat ik heel dicht achter jullie”) en Ids. De enige die ontbreekt, is Jaap. Op de Jaufenpass, de een-na-laatste beklimming, cirkelen bezemwagens als aasgieren om hem heen. Of hij zijn zonnebril kan afnemen, zodat ze hem in zijn ogen kunnen kijken om de staat van ontbinding vast te stellen. De trotse farmaceut is de laatste renner in koers en dreigt nu als een blinde darm uit de wedstrijd te worden verwijderd. Pas als hij belooft op de top af te zullen stappen, richten de Oostenrijkers hun pijlen op de een-na-laatste renner in koers.

In de weken na terugkomst droogt het mailverkeer met voorstellen om te fietsen geheel op. De één gaat weer hardlopen, de ander ontdekt de barbecue. Tot begin oktober. Dan valt het T-woord: de TransAlp. „Mannen, in juni 2014 in een paar dagen dwars door de Alpen. 18.000 hoogtemeters!” Arjen: „Ik ben er bij! Wie gaat er mee?”

    • Hugo Logtenberg