Kinderleed zet je niet meer uit je hoofd

Wie in zijn kinderjaren heeft blootgestaan aan langdurige stress beheerst als volwassene zijn emoties minder goed.

Jodi Hilton/NurPhoto

Chronische stress in de kindertijd veroorzaakt blijvende veranderingen in twee hersengebieden die samen emoties reguleren. Dat blijkt uit twee Amerikaanse artikelen die afgelopen week verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences (Early edition). Muizen, kinderen en jongvolwassenen die in hun vroege jeugd langdurig hadden blootgestaan aan stress, konden minder goed hun emoties aan de kant zetten om een taak efficiënt uit te voeren. Hersenscans die tijdens die taken werden gemaakt met een MRI-scanner lieten zien dat bij deze kinderen en jongvolwassenen de amygdala overactief was. Dat is het gebiedje diep in de hersenen dat een rol speelt bij de vorming van emoties. De zogeheten prefrontale cortex was juist minder actief. Dit gedeelte van de voorste hersenschors is belangrijk bij denkprocessen en reguleert de activiteit van de amygdala.

„Er was al langer bekend dat stress in de kindertijd een verhoogde kans geeft op psychiatrische problemen op latere leeftijd”, vertelt Mirjam Rinne. Zij is kinder- en jeugdpsychiater bij Curium-LUMC, een kliniek verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum. Ze doet daar ook promotieonderzoek naar de neurobiologische basis van psychiatrische aandoeningen. „Maar nu pas, door de opkomst van technieken zoals MRI, wordt duidelijk welke veranderingen in de hersenen daarbij een rol spelen.”

De invloed van stress op de hersenen lijkt te verlopen via stresshormonen, aldus Rinne. De hersenen zijn niet klaar bij de geboorte, maar ontwikkelen zich nog sterk tot in de volwassenheid. Dat gebeurt vooral op basis van ervaringen. Vroeg in de ontwikkeling, voor de geboorte en in de eerste jaren erna, vinden veel celdelingen plaats en komen er uitgebreide verbindingen tot stand. Later, vooral in de adolescentie, verdwijnen er juist vertakkingen en verbindingen op plekken die minder worden gebruikt. Rinne: „Dat ‘snoeien’ gebeurt deels onder invloed van stresshormonen. Je kunt je voorstellen dat langdurige stress, of een hevig trauma, op die manier een grote, blijvende invloed kan hebben op de hersenontwikkeling.”

De eerste Amerikaanse studie onderzocht het effect van opgroeien in armoede. Er deden vijftig 24-jarigen aan mee. De jongeren die op 9-jarige leeftijd onder de armoedegrens hadden geleefd, konden negatieve emoties bij het zien van nare of verdrietige beelden veel minder goed ombuigen naar positieve.

Hoe meer zij te maken hadden gehad met armoedegerelateerde stressfactoren, zoals geweld, opgroeien zonder ouders, slechte behuizing en een lawaaiig en onrustig huishouden, hoe slechter zij hun emoties konden reguleren. Dat bleek uit de activiteit van hun amygdala en prefrontale cortex. Dat was ook het geval bij jongeren die nu niet meer in armoede leefden.

De tweede studie richtte zich op zowel muizen als kinderen. Bij mensen, zo schrijven de auteurs, zijn er altijd genetische en omgevingsfactoren die de resultaten vertroebelen, en daarom kan muizenonderzoek een waardevolle aanvulling zijn. Van de muizen was de helft opgegroeid in een kale kooi, met moeder maar zonder nestmateriaal. Eerder onderzoek had laten zien dat babymuizen daar stress van ondervinden. De muizen die in een kale kooi waren opgegroeid, durfden minder snel een nieuwe, fel verlichte omgeving te verkennen op zoek naar voedsel. Hun amygdala vertoonde een grotere dichtheid aan cellen dan die van de controlemuizen. Van de 26 kinderen, gemiddeld 9 jaar oud tijdens het onderzoek, had de helft zijn eerste levensjaar doorgebracht in een weeshuis, waar kinderen doorgaans minder persoonlijke aandacht krijgen dan in een gezin. De weeshuiskinderen scoorden ten opzichte van controlekinderen slechter op een experiment waarbij ze plaatjes van angstige gezichten moesten negeren. Zij vertoonden tijdens deze taak een verhoogde activiteit van hun amygdala – terwijl ze al jaren niet meer in het weeshuis woonden. In hun artikel laten de Amerikanen sterke overeenkomsten zien tussen de uitkomsten bij de muizen en die bij de kinderen.

„Dit is heel interessant onderzoek”, reageert Rinne. „Het blijvende effect op de amygdala verbaast mij niet, maar het is wel heel goed dat dit nu zo mooi is aangetoond.” Er is bij jonge mensen nog maar heel weinig MRI-onderzoek gedaan naar de effecten van stress op de hersenen, legt ze uit. Als je weet welke hersendelen reageren op die vroege stress, dan kun je gericht gaan zoeken naar behandelingen die de schade kunnen voorkomen of deels herstellen. Dat kan wellicht met psychotherapie, maar misschien ook met medicijnen. „Een vervolgstap is dat je met MRI onderzoekt welke behandeling het beste werkt”, besluit Rinne. „Daar zijn we in Leiden nu druk mee bezig.”