Column

Ken jij nog een goeie mop?

Redacteur nrc.next

Laatst was ik bij de Hema, waar ik een man zag met z’n blindengeleidehond. Opeens greep hij de hond bij zijn staart en slingerde hem rond boven z’n hoofd. Ik rende op hem af en riep: „Meneer, wat doet u nu?” Hij zei: „O, niks bijzonders, ik kijk gewoon even rond.”

Nee, natuurlijk heb ik dit niet meegemaakt. Het is een mop. Daar kan ik soms zo’n behoefte aan hebben, gewoon, een goeie mop.

Vrijwel nooit kom ik iemand tegen die bedreven is in moppen tappen. ‘Ons soort mensen’ doet daar niet aan. Moppentappers vind je in versleten cafés, waar je de wc bij binnenkomst al kunt ruiken. Het gemiddelde moppenrepertoire is er seksistisch en racistisch. Bah.

En toch: een goed vertelde mop kan de sfeer in gezelschap een wending geven waarnaar iedereen snakt, omdat je totaal bent uitgepraat over NSA, die cholerische chef op je werk en natte bladeren op de rails.

Laatst zat ik met een vriend te vissen onderaan een dijk. Opeens zagen we een wielrenner, die van de weg was geraakt en met een noodgang de dijk afreed, plons, de sloot in. Eerst wachtten we af, verlamd van schrik, of de fietser zelf weer boven water zou komen. Toen doken we de sloot in. We vonden ’m op de bodem en trokken ’m snel de kant op, bewusteloos. Mijn vriend bood mond-op-mond-beademing, maar riep al snel: „Getver, hij stinkt uit z’n bek!” Ik keek nog eens goed en toen zag ik: „Maar dit is die fietser niet; deze heeft schaatsen aan.”

Het spijt me, om zo’n mop, lang geleden gehoord, kan ik nog steeds lachen. Politiek correct en sociaal wenselijk mag het dan niet zijn, maar alla, wat schaadt het, deze guilty pleasure?

Raar woord trouwens, mop. Wie zou dat verzonnen hebben? Grondige studie van etymologische woordenboeken leert me dat de oorsprong te vinden moet zijn in oostelijk Noord-Brabant, waar het woord van oudsher werd gebezigd voor het aanduiden van paardendrollen. ‘Het faecale of seksuele karakter van moppen kan het woord mop in de betekening van grap hebben doen opkomen’, schrijft woordvorser J. de Vries in zijn Nederlands-etymologische standaardwerk uit 1971, een bron citerend uit 1932.

Faecaal karakter, ja, dat ook. Niets koddiger dan poep- en piesgrappen!

Wat gebeurt er als een vrouw met panty’s aan een scheet laat? Dan vliegen haar schoenen uit.

Deze vraag stel ik altijd aan kinderen van een jaar of acht. Succes verzekerd.

Nu de meeste moppenhaters vast zijn afgehaakt, kan ik veilig een stap verder gaan met ontboezemen. Ik heb een beetje een hekel aan rechtlijnig denkende mensen, omdat ze meestal zo zwaar op de hand zijn. Vaak zijn ze belezen, ze beredeneren alles, analyseren als de beste, maar ik mis iets wezenlijks bij hen: speelsheid, lichte en luchthartige vrolijkheid, de kunst van relativerende, ongecompliceerde lol in het leven.

Laat me dit nogmaals zeggen, nu in de woorden van de grote cultuurhistoricus Johan Huizinga. In zijn boek Homo ludens, over ‘de spelende mens’ dus, uit 1938, wist Huizinga als geen ander het totalitaire zwart-witdenken van die duistere jaren te ontleden: ‘Het ontbreken van gevoel voor humor, het warmlopen op een woord, de verregaande ergdenkendheid en onverdraagzaamheid tegenover niet-groepsgenoten, de mateloze overdrijving in lof en blaam, de toegankelijkheid voor elke illusie die de eigenliefde of het beroepsbesef vleit.’

Dit nu laat zich aanzien als de grootste bedreiging van het huidige opinieklimaat. Slechts kalmte kan ons redden. En laten we elkaar, op de vlucht voor deze pestepidemie, vooral veel goeie moppen vertellen, als de raamvertelling in Boccaccio’s Decamerone.

Waarom laat Sinterklaas z’n Zwarte Pieten geen pakjes bezorgen bij een moskee? Omdat daar veel te veel schoenen staan.

Volgende week: goeie moppen volgens next- lezers. Stuur je mop naar denken@nrc.nl. Licht toe wat een mop goed maakt.