Juridische strijd gaat over

woorden

Recht

Folkert Jensma Juridische taal is moeilijk te begrijpen. Schrijven juristen met opzet omslachtig om het magische karakter van hun werk te onderstrepen?

Knip zinsdelen los van elkaar of onderstreep ze. Wie juridische taal wil begrijpen heeft tenminste een schaar nodig. Oud-SCP directeur Paul Schnabel omschreef recht onlangs als ‘een gelaagd taalspel’. Een groot mozaïek van wetten, uitspraken, begrippen en interpretaties. Veel, misschien wel alle juridische strijd gaat over woorden. Mogen die ruim of beperkt worden uitgelegd? Recht is een hiërarchische taal: de top van de piramide heeft het laatste woord.

Niet dat het dan meteen duidelijk is. Neem het arrest van het Europese Hof in Straatsburg dat advocaten ‘during police interrogation’ aanwezig mogen zijn. De hoogste rechters elders in Europa lieten daarna de advocaat bij het verhoor toe, in persoon. Maar de Hoge Raad vond dat aanwezigheid ‘gedurende het verhoor’ ook iets anders kan betekenen. Bijvoorbeeld op de gang zitten, meekijken via een beeldverbinding of overleg tussendoor. Rechtsstrijd is dus taalstrijd. Het is maar net wat je wilt begrijpen of verstaan.

In 1994 legde de Hoge Raad in het ‘Zwiepende Tak arrest’ uit dat de kans op een ongeval mee bepaalt hoe iemand zich moet gedragen. Een op zichzelf eenvoudige regel, geformuleerd naar aanleiding van een ongeluk bij een boswandeling. Een jongen geeft daar een schop tegen een tak. Die zwiept hard terug en treft de jongen achter hem in het gezicht. Die moet daarop een oog missen.

Is de jongen die de tak liet zwiepen aansprakelijk voor de schade? Het Gerechtshof vond van wel, maar de Hoge Raad van niet. Die zegt dat zo: „Het hof heeft miskend dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.” Prachtig en verschrikkelijk tegelijk, zo’n zin.

Wat is hier aan de hand? Schrijven juristen met opzet omslachtig om het magische karakter van hun werk te onderstrepen? Het recht gebruikt taal als toverstokje, met eigen spreuken: ne bis in idem, culpa in causa, testimonium de auditu. En met eigen een syntaxis: tangconstructies, dubbele ontkenningen, uienschilconstructies en verouderde, overtollige of vreemde woorden.

Juridische tekst moet altijd onpersoonlijk en precies zijn. En dichtbij de formele wettekst blijven. Feiten worden verbaal ontleed en juridisch hertaald. Een dief is in juristentaal daarom ‘iemand die zich wederrechtelijk iets toe-eigent’. Dat leidt tot een plechtige, formele, maar ook uiterst subtiele taal. Het summum is de taal van de hoogste rechter, informeel het ‘Hogeraads’ genoemd. Haarscherp en waterdicht formuleren is daar een absolute eis. Het verschil tussen mits en tenzij, tussen wegens en vanwege, tussen terugkomen op en terugkomen van. In arresten mag nooit meer staan dan er staat. Er dreigt altijd een lawine van losse interpretaties.

Soms is het Hogeraads héél subtiel. Af en toe vindt de Hoge Raad een lager vonnis ‘geenszins onbegrijpelijk’. Daarin zit dan sneer naar de advocaat die overdreef in zijn bezwaren. Ook het verschil tussen ‘wat het Hof klaarblijkelijk’ en ‘wat het Hof kennelijk bedoelde’ betekent iets. Bij ‘klaarblijkelijk’ vond de Hoge Raad geen ruimte voor een eigen interpretatie. Maar bij ‘kennelijk’ wel. Dan neemt de Hoge Raad de vrijheid te interpreteren. Grootste beduchtheid bij de raadsheren is dat hun teksten buiten hun wil te ruim worden uitgelegd. Dat leidt tot defensieve formules: ‘in beginsel’ (dus niet altijd). Als er iets ‘voorop wordt gesteld’ dan weet de lezer: alleen binnen dìt kader begrijpen a.u.b., en niet breder. Berucht is een belastingzaak over een stacaravan waarvan de Hoge Raad aannam dat die onroerend was. Waaruit de buitenwereld begreep dat àlle stacaravans ‘dus’ onroerend waren. En alle campinghouders een enorme aanslag vreesden. Een beetje slordig lezen en het toverstokje veroorzaakt paniek, op de camping.

Met dank aan de redactie van het NJB, het Taalcentrum-VU en de Hoge Raad