Juist wie zich gedraagt, krijgt kritiek van de VN

De discussie over Zwarte Piet maskeert de zwakke plekken in het toezicht op de mensenrechten. De VN geeft bij voorkeur kritiek op landen die een reputatie hebben hoog te houden. Het Europese rapport over Nederland bevat veel klachten van ngo’s, die hier niet werden gehoord, schrijft Tom Zwart.

Nederland kreeg deze week van twee internationale instanties het verwijt niet genoeg te doen tegen racisme en discriminatie. De European Commission on Racism and Intolerance van de Raad van Europa (ECRI) publiceerde een lange lijst tekortkomingen in het antiracismebeleid. De voorzitter van de VN Werkgroep voor Personen van Afrikaanse Afkomst, prof. Verene Shepherd, had bezwaar tegen de rol van Zwarte Piet die racistisch zou zijn.

Racisme moet natuurlijk zeer serieus worden genomen. Bovendien is onder dit kabinet de getuigenispolitiek op mensenrechtengebied helemaal terug van weggeweest. Wie anderen de les leest over mensenrechten moet voorkomen de pot te zijn die de ketel verwijt dat zij zwart ziet. Maar toch zeggen deze kritische commentaren meer over het internationale toezicht op mensenrechten dan over Nederland.

Het Europese rapport bevat een litanie aan klachten die vooral afkomstig lijken van ngo’s. Die kregen bij de Nederlandse overheid kennelijk niet voldoende gehoor en zij hebben nu met succes bij ECRI aan de bel getrokken. Soms was hun belangenbehartiging wel heel direct: in het rapport wordt de Nederlandse overheid opgeroepen om de subsidie aan een aantal met naam genoemde organisaties te verhogen of verlagingen ongedaan te maken.

Nederland heeft het negatieve rapport niet zozeer te danken aan zijn tekortschieten op anti-discriminatie, maar aan zijn gehechtheid aan een goede reputatie. Het is een bekende strategie van Europese toezichthouders om niet de zwakke broeders aan te pakken. Die zouden namelijk wel eens lak kunnen hebben aan het commentaar, wat het gezag van de toezichthouders niet ten goede komt. De comités richten zich eerst juist tot de staten die de suggesties getrouw uitvoeren. Toezichthouders schatten in dat dergelijke loyale staten hun best zullen doen om zelfs de meest veeleisende aanbevelingen over te nemen om hun reputatie te handhaven. Kortom, hoe beter je het als staat doet, hoe meer kritiek je over je heen krijgt.

Overigens worden ook inschattingsfouten gemaakt. Zo dacht het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat het Verenigd Koninkrijk bij een veroordeling wel over zou gaan tot toekenning van kiesrecht aan gedetineerden om geen gezichtsverlies te leiden. Daarna zouden dan andere staten kunnen worden aangepakt die ook kiesrecht aan gedetineerden onthouden, maar die als minder voorbeeldig te boek staan. Maar het Hof kwam van een koude kermis thuis. De Britten weigeren uitvoering te geven aan deze uitspraak, omdat het toekennen van kiesrecht aan gevangenen indruist tegen hun rechtsgevoel.

De Conservatieven zijn zelfs van plan om het Hof inzet te maken van de volgende verkiezingen. De kans is groot dat het Hof met zijn strategie precies het omgekeerde heeft bereikt van wat het beoogde, te weten een verzwakking van zijn positie. Het Hof veroordeelde Spanje deze week omdat dit land weigert ETA-gevangenen vervroegd in vrijheid te stellen. Gelet op de gevoeligheid van dit onderwerp in Spanje lijkt het een vergelijkbare inschattingsfout te hebben gemaakt.

De VN heeft wel wat beters te doen dan klagen over Zwarte Piet. De aandacht gaat nu vooral uit naar de noordelijke staten. Die landen leveren op tijd hun rapportages, omdat ze het beste jongetje van de klas willen zijn. Maar de ernstige mensenrechtenproblemen van de zuidelijke staten blijven vaak buiten beeld. Zij vinden het vaak niet de moeite waard om aan dit soort procedures mee te werken, omdat ze het niet eens zijn met de maatstaven van de toezichthouders.

Het toetsingkader van VN-toezichthouders is naar hun mening te zeer gericht op zaken die in het noorden belangrijk worden gevonden, zoals juristerij en liberaal-democratische waarden, waaronder individualisme, persoonlijke autonomie, en scheiding kerk/staat. Zuidelijke landen geven vaak vorm aan hun mensenrechtenverplichtingen met behulp van sociale instituties en culturele instrumenten, zoals familie, gemeenschap, religie en solidariteit. De mensenrechtenverdragen staan hen dat toe, maar de internationale mensenrechtengemeenschap heeft daar geen belangstelling voor. Die blijft hen afrekenen op de mate waarin zij gebruik maken van het recht en uitdrukking geven aan liberale waarden.

Door met twee maten te meten vervreemden de toezichthouders de zuidelijke staten nodeloos van het systeem. Landen in Afrika en Azië voelen zich door hun economische groei en de opkomst van China als wereldmacht steeds minder geroepen om mee te doen. Aangezien het isolement de universaliteit van mensenrechten niet bevordert, moet de internationale gemeenschap meer waardering opbrengen voor de zuidelijke wijze van mensenrechtenbescherming. Menigeen is zich bewust van de noodzaak hiervan, maar het is niet politiek correct om hierover openlijk de discussie aan te gaan. Nederland aanspreken op Zwarte Piet is dat kennelijk wel.