Je kunt niet zien

of iemand de waarheid vertelt

Interview

Strafrechter Sebastiaan Hermans is vrijwel blind. Lastig, nu in zaken steeds vaker camerabeelden en foto’s worden getoond. „Daar staat of valt een zaak meestal niet mee.”

tekst Merel Thie

foto’s Ilvy Njiokiktjien

H ij hóórt het als een verdachte onderuitgezakt zit. „Probeer zelf maar eens een verhaal met flair te vertellen als je in je stoel hangt.”

Maar hij kan niet zien of hij gelijk heeft.

Sebastiaan Hermans, strafrechter van 35 is zo goed als blind. Alleen met zijn linkeroog ziet hij 6 procent. Hij kan zien dat er niets aan de witte muren hangt in het kamertje op de rechtbank waar we zitten. Hij ziet dat de interviewer iets donkers draagt, met korte mouwen. Maar een gezicht ziet hij niet en al helemaal niet de uitdrukking op dat gezicht.

Hermans is al zes jaar strafrechter bij de rechtbank ‘s Hertogenbosch, die sinds januari rechtbank Oost-Brabant heet. Hij doet zittingen samen met twee andere rechters (meervoudige kamer) maar ook alleen (als politierechter).

Zijn rechteroog is van kunststof. Het echte oog is weggehaald. Hermans had last van de zon als die in zijn oog scheen. Ook al zag hij daar volstrekt niets mee, hij kneep het toch dicht. Het irriteerde en het ging steeds dichter zitten. Mensen denken vaak dat hij met het kunststof oog wel kan zien, omdat het er echt uitziet. Hij zou het er nooit om gedaan hebben, maar hij vindt het „een prettige bijkomstigheid” dat het mooi is geworden.

Tijdens de zittingen gebruikt hij een brailleleesapparaat, gekoppeld aan een gewone laptop. Hij kan daarmee in het dossier lezen voor zover dat digitaal beschikbaar is. Papieren dossiers leest hij op zijn kamer met een speciale loep. Hij denkt niet dat het veel langzamer gaat dan bij ziende mensen. „Maar wat ik niet kan, is even snel een relevante passage in het dossier opzoeken. Ik moet echt alles doorlezen.”

Hermans beoordeelt de feiten en omstandigheden van een zaak, „zoals rechters geacht worden te doen”. Zijn handicap belemmert hem in de rechtszaal nauwelijks, zegt hij. Álle rechters moeten voorzichtig zijn met het trekken van conclusies op basis van non-verbale communicatie, vindt hij. „Je kunt niet aan gedrag zien of iemand de waarheid vertelt. Rechters die denken dat ze dat wel kunnen, moeten ontslag nemen.”

Vrouwe Justitia oordeelt met een blinddoek, zonder aanzien des persoons. Maar Hermans moet zich als ieder ander wapenen tegen vooroordelen, zegt hij. „Ik zie geen huidskleur, maar ik ken de achternaam van een verdachte en hoor accenten.”

Met zijn gezin woont Hermans in de buurt van de rechtbank. Hij kan zich redden zonder hond (en is ook geen liefhebber). Buiten heeft hij alleen een korte blindenstok bij zich. Die is niet bedoeld om de omgeving af te tasten, maar om anderen te laten zien dat hij visueel gehandicapt is. Hermans: „Anders zegt de buschauffeur: ‘Dat staat toch op de voorkant van de bus’ als ik hem vraag ‘of dit lijn 158 is’.”

Een enkele keer is zijn blindheid in de rechtszaal een voordeel. Hij had als rechter een goed gesprek met een verdachte: „een sympathieke kerel”. Na afloop zei de griffier dat zij dat gesprek niet op die manier had kunnen voeren omdat ze de man te eng vond. Zijn hele gezicht zat onder de tatoeages. >>

>> Een nadeel: bewegend beeld

Als bewegend beeld een belangrijk onderdeel is van het bewijs, kan Hermans blindheid een nadeel zijn. In steeds meer rechtszaken worden beelden op de zitting getoond. Foto’s kan hij vooraf met de loep bekijken. Bewegend beeld niet. In een rechtszaak met meerdere rechters beoordelen zijn collega’s de beelden als dat nodig is. „Feitelijk zou je kunnen zeggen dat dat niet een waarneming van de héle rechtbank is omdat maar twee van de drie rechters de beelden daadwerkelijk hebben waargenomen. Maar er heeft nog nooit een advocaat bezwaar gemaakt. Ik zou me er trouwens niet persoonlijk door aangevallen voelen als dat wel gebeurt.”

In de zaak Robert M. wilde het Openbaar Ministerie dat rechters de kinderporno bekeken die M. had gemaakt. In een zaak van een ontsnapte tbs’er werd een close-up getoond van het verminkte gezicht van zijn slachtoffer. Meestal „valt of staat een zaak niet” met een foto, zegt Hermans. „In de twee genoemde voorbeelden, wilde het OM – vermoed ik – de érnst van de gevolgen tonen. Beeld is dan ondersteunend, niet doorslaggevend voor het bewijs.”

En ook dan moet iedere rechter kritisch blijven, vindt Hermans. „Een foto van een bebloed gezicht kan er schokkend uitzien. Wat er tijdens een rechtszaak toe doet is welke feitelijke verwondingen overblijven als het bloed is weggeveegd.”

Er is één zaak geweest waarvan Hermans achteraf dacht: die had ik beter niet kunnen doen. Het ging om voetbalgeweld, gepleegd door een groep supporters.„Er waren tien, twaalf verdachten. Dan moet je echt heel precies kunnen bekijken wie wat doet, op camerabeelden.” En dat kon hij niet. „Gelukkig waren de officier en de advocaten het in grote lijnen eens over wat er op de beelden te zien was, maar ik hield er toch een ‘glad-ijsgevoel’ aan over.” Nu – ervarener – zou hij zich terugtrekken.

Hij vindt het geen vervelende trend dat vaker beelden worden getoond in de rechtszaal, „zolang het nut heeft”. Hij heeft wel eens twee uur naar een „schitterende 3D- opname” van de plaats delict moeten kijken. Maar de animatie „voegde nul komma nul toe aan het bewijs”. Wat soms volgens Hermans wel heel nuttig kan zijn, is vertoning van de beelden „maar vooral ook het geluid” van een verhoor van een getuige of een verdachte door de recherche. „Dan kun je horen of er suggestieve of gesloten vragen zijn gesteld.”

Als hij praat, gebruikt Hermans geregeld woorden van zienden. Hij heeft het over wat een verdachte ‘uitstraalt’ en hoe hij naar ‘de verschillende kanten van een zaak kijkt’. Hij denkt daar niet over na, maar bedoelt het figuurlijk.

Als kind had hij „reële verwachtingen” van zijn toekomst. „Ik heb nooit autocoureur willen worden.” Dat hij minder mogelijkheden had, maakte het kiezen eenvoudiger. Rechten. „Ik wist dat er een blinde rechter was (in Amsterdam, red.). Daar had mijn vader me op gewezen. Hij was zelf ambitieus, is na jaren leraarschap directeur van een basisschool geworden. Liet te pas en onpas vallen dat hij directeur was.” Lacht: „Vreselijk.” Maar aan de wilskracht en het doorzettingsvermogen van zijn vader heeft hij wel een voorbeeld genomen. „En ik heb gedacht: rechter worden, dat kan blijkbaar.”

Zijn ouders hebben hem niet beschermd opgevoed. Juist niet. Op zijn achtste lieten ze hem met de trein van Geldrop naar Best reizen, inclusief overstap in Eindhoven. ‘Ga het maar doen’. „Ik was daar wel eens boos over. Dacht: het kost mij uren en jullie zijn er met de auto in een kwartier. Maar over het algemeen was ik blij met hun benadering.”

Tot halverwege de jaren 80 was het een vanzelfsprekendheid dat blinde en slechtziende kinderen in internaten woonden. Ook Hermans ging op zijn zesde ‘uit huis’. Vier dagen en nachten per week bleef hij in Grave. Hij heeft er goede herinneringen aan, zo veel kinderen bij elkaar. Maar zijn vader ergerde zich „groen en geel” als hij op bezoek kwam. Er waren daar veel blinden en slechtzienden die „wiebelden”, zegt Hermans. Hij doet het voor door zijn bovenlijf van voor naar achteren te bewegen. „Het is sociaal onaangepast gedrag en heel makkelijk af te leren. Maar dat gebeurde niet op het internaat, en ik heb nooit begrepen waarom niet.”

Blinderen uit een internaat pik ik er zò uit

Toen hij zeven werd, opende er een nieuwe – gewone – school in Geldrop waar zijn ouders hem naartoe stuurden. De overgang van het beschermde internaat naar de ziende wereld herinnert Hermans zich niet als schok. „Ik was waarschijnlijk – zoals de meeste jonge kinderen – flexibel en vroeg me helemaal niet af waarom de dingen gingen zoals ze gingen.” Op de basisschool werd hij wel eens uitgescholden voor ‘schele’ of blinde’ maar „echt niet vaak”.

Hij denkt wel dat de gewone school hem in bepaald opzicht assertiever heeft gemaakt. „Ik verwacht minder dat anderen wel iets voor me zullen regelen. Dat zij zich aan míj zullen aanpassen.” Blinden die hun hele jeugd in een internaat hebben gezeten haalt hij er vaak zó uit. „Als op iedere deur in braille staat wat er achter zit, ga je verwachten dat de wereld zo is.”

In de echte wereld, ontdekte Hermans, zijn deuren soms van glas. Hij liep er twee keer doorheen – een keer in de Hema en één keer in de aula van de middelbare school – maar hield er alleen een paar krasjes aan over.

Net als zijn jongste broer is Hermans slechtziend geboren. Ze hebben de erfelijke variant van microftalmie, waarbij in de baarmoeder de aanleg van het oog hapert. De aandoening kan generaties in regressie blijven. Hermans heeft ook een ziende broer en zus, en twee ziende dochters.

Het werk van rechter past bij hem, vindt hij. „Ik kan goed naar alle kanten van een zaak kijken, de belangen afwegen en dan een zuiver besluit nemen. Daarmee bedoel ik: een zo goed mogelijk besluit, in het volle besef dat je als rechter vaak lang niet het complete beeld hebt.” <<