Ik heb geschreven maar lees het dan ook goed

Een aangeklaagde schrijver kan de woorden van Pilatus herhalen: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven. Maar daarmee is de slechte verstaander niet uitgeschakeld, vindt A.F.Th van der Heijden.

In 1953 werd Willem Frederik Hermans voor het gerecht gedaagd wegens vermeende belediging van het Nederlandse katholieke volksdeel. In zijn roman Ik heb altijd gelijk werden ouwelvreterij en vermenigvuldigzucht van de katholieken aan de kaak gesteld. (Opmerkelijk: ruim een halve eeuw later blijkt uit een officieel rapport dat al lang voor bedoeld proces de Nederlandse katholieke kerk op grote schaal bezig was het eigen volksdeel te ‘beledigen’ – door op seminaries en internaten de zoons van de beminde gelovigen anaal en manueel te laten misbruiken door priesters aan wier zorgen de kinderen waren toevertrouwd. In sommige gevallen werden onvolwassen internaatleerlingen in een kliniek gecastreerd wegens ‘uitlokking’, bij de paters, van homoseksuele handelingen. Dit terzijde.)

Hermans werd vrijgesproken: de gewraakte tirade was in de mond gelegd van Lodewijk Stegman, hoofdpersoon van de roman. Wat mij betreft, had Hermans ook van rechtsvervolging ontslagen mogen worden als hij zich rechtstreeks, zonder tussenkomst van een romanpersonage, over de folklore van het katholieke volksdeel had uitgelaten.

In 1966 werd Gerard Kornelis van het Reve, een kandidaat-katholiek, aangeklaagd wegens godslastering, omdat hij in geschrifte God had opgevoerd als ezel, die door de schrijver in een visioen anaal werd bezeten. Van het Reve nam uiteindelijk zijn eigen verdediging ter hand, en hield voor het Amsterdamse gerechtshof een monumentaal pleidooi. Zijn collega Harry Mulisch vond dat maar verachtelijke uitsloverij: Van het Reve had er volgens hem beter aan gedaan de beroemde woorden van Pilatus te herhalen: Quod scripsi, scripsi – en het daarbij te laten. (Vrij vertaald: ‘Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven; ik neem het niet terug.’ Joh. 19:22)

Op 1 november aanstaande dient voor de Amsterdamse rechtbank een kort geding aangaande enkele passages in mijn laatstverschenen roman De helleveeg. Helaas gaat het hierbij niet om zoiets belangwekkends als godslastering of belediging van een Nederlands volksdeel, maar om enkele door de eisende partij verkeerd gelezen en uit hun context gerukte fragmenten. Wat zou het heerlijk zijn, ook ter genoegdoening van Harry Mulisch, om in deze zaak te kunnen volstaan met een hartgrondig Quod scripsi, scripsi – maar daarmee zou de slechte verstaander nog niet zijn uitgeschakeld. In het onderhavige geval is die slechte verstaander de zanger en liedschrijver Peter Koelewijn. Hij heeft een vordering wegens onrechtmatig handelen ingediend tegen mij en mijn uitgever De Bezige Bij. Ik zou in De helleveeg zijn moeder (en bij uitbreiding zijn hele familie, dat wordt uit de dagvaarding niet helemaal duidelijk) ervan betichten ‘in de jaren ‘60’ een illegale abortuspraktijk te hebben gedreven boven de viswinkel van de Koelewijns in het Eindhovense stadsdeel Stratum. Inderdaad is er in mijn roman sprake van een illegale abortuspraktijk, maar die wordt geëxploiteerd in de vijftiger jaren, in het boek toegespitst op een ernstig geval uit 1952 – daar begint het slordige lezen al.

Moeder Koelewijn wordt in de hele roman slechts een maal bij name genoemd, en dat is tevens de enige keer dat zij handelend optreedt – niet als aborteuse. Rond 1960 voorziet zij de dan ongeveer tienjarige ik-verteller Albert Egberts van een gerookte paling. De jongen krijgt de lekkernij niet op, waarna mevrouw Koelewijn hem de vis uit handen neemt om er de kat naar te laten springen. In alle oprechtheid: de weergave van deze kleine jeugdherinnering van Albert Egberts lijkt me niet voldoende om te spreken van onnodig grievend in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

In De helleveeg treedt wel degelijk een illegale aborteuse op, afwisselend aangeduid met ‘omsteekster’ en ‘engeltjesmaakster’, maar niet bij name genoemd. Aan het begin van het verhaal leren we haar kennen, het is dan eind jaren vijftig, als een groezelig wijfje dat aan de rafelrand van Eindhoven, in een afbraakbuurtje, een zomerkennel voor huisdieren drijft, waar ze ook rollen met resten onbedrukt krantenpapier verkoopt – geen vis in ieder geval. Kleine Albert is er door zijn jonge tante Tiny, bijgenaamd Tientje Poets, mee naartoe genomen. Zij heeft een vlijmscherp mes bij zich gestoken, waarmee zij voornemens lijkt het vrouwtje te vermoorden. Later in de roman zal blijken waarom: in 1952 heeft het enge wijfje een slordige abortus uitgevoerd bij de dan veertienjarige Tientje, waarna het meisje bijna doodbloedde en voor de rest van haar leven onvruchtbaar raakte. Tientje beweert dat ze ooit bij het vrouwtje in Stratum is geweest, ‘boven de viswinkel van Koelewijn’, maar treedt (nog) niet in detail over wat zich daar heeft afgespeeld.

Vele jaren later, tegen het eind van de eeuw, komt de desastreuze vruchtafdrijving opnieuw ter sprake, ditmaal tussen de jammerlijk kinderloos gebleven Tientje Poets en haar oudere, op sterven na dode zus Hanny, de moeder van Albert Egberts. Tientje verwijt Hanny dat deze destijds de abortus ‘op een koopje’ heeft geregeld. De twee vrouwen ventileren in een ruzieachtig gesprek ieder hun eigen versie van de gebeurtenis, maar over de locatie lijken ze het eens: een kamer boven de viswinkel van Koelewijn.

Het verhaal van De helleveeg wordt verteld door een ‘ik’, en dat is niet het ik van de schrijver A.F.Th. van der Heijden, maar van de vertellende instantie Albert Egberts, bekend uit eerdere delen van de romancyclus De tandeloze tijd. Egberts registreert, in zijn hoofd of op papier, wat hij over de vruchtafdrijving verneemt uit de mond van zijn tante en zijn moeder. Hun woorden haalt hij ook nog eens door de zeef van zijn eigen nogal donkere visie op mens, leven en wereld. Er bevinden zich dus op z’n minst twee eigenwijze vertellers tussen de schrijver en de centrale gebeurtenis in zijn boek. Nergens, echter, staat dat de familie Koelewijn haar inkomsten uit de viswinkel aanvult met die uit een illegale abortuspraktijk, gevestigd boven de nering – het wordt zelfs niet gesuggereerd. De lezer die leest wat er staat, en niet wat hij vreest of hoopt dat er staat, kan alleen maar concluderen dat het kennelvrouwtje uit het begin van het boek ooit, in ieder geval begin jaren vijftig, een ruimte huurde boven de viswinkel om haar onwettige handel uit te oefenen.

Peter Koelewijn (ik heb niets tegen die man, behalve dat hij mij nu voor de rechter sleept als gevolg van zijn eigen slordige leespraktijk) voert aan dat zijn familie een slaapkamer boven de viszaak had. Deze omstandigheid speelt geen rol in mijn verhaal. In De helleveeg heb ik de ruimte boven de opgevoerde winkel naar eigen inzicht ingericht en bevolkt. (Als ik in een vertrek boven een Eindhovens vestiging van Peek & Cloppenburg een drugsdeal zou laten plaatsvinden, beschreven binnen het kader van een roman, zou de directie van dat bedrijf mij dan een kort geding aandoen?) Dat vader en moeder Koelewijn kennelijk in de jaren vijftig of zestig boven hun nering sliepen, is een gegeven uit de werkelijkheid buiten die van mijn roman. Koelewijn hanteert dit feit als een bewijs dat ik zijn familie van illegale abortuspraktijken beschuldig.

Er is me gevraagd waarom de naam (Peter) Koelewijn voluit gespeld in het boek staat. Verteller Albert Egberts gebruikt wel vaker, om zijn verhaal in een bepaalde periode van de geschiedenis te verankeren, belangrijke of onbelangrijke tekenen des tijds. (Denk aan het bezoek dat koningin Juliana met haar gast Haile Selassi aan de Eindhovense DAF-fabrieken bracht.) Hiertoe behoren soms ook tekstflarden uit op dat moment populaire muziek. Om aan te geven dat de vertelling rond 1960 is aanbeland, laat hij de titel Kom van het dak af vallen, in samenhang met enkele details uit de mythe rond dat inmiddels legendarische rock-’n-rollnummer. Een verzonnen naam koppelen aan zo’n overbekende titel zou al te mal zijn geweest, zozeer zijn de zanger en zijn tekst met elkaar vergroeid. Peter Koelewijn is in de loop van ruim een halve eeuw uitgegroeid tot niet minder dan een cultureel instituut – als zanger, muzikant, componist, talentschout, platenbons. Ik vind dat iemand die er alles aan gedaan heeft om die status van icoon van de Nederlandstalige popmuziek te verwerven wel enig incasseringsvermogen mag tonen als zijn naam in een literaire tekst wordt aangehaald.

Meer is er niet aan de hand, en als ik hem hiermee een slecht humeur heb bezorgd, dan spijt me dat. Waar ik niet omheen kan, is dat Koelewijn mij en De Bezige Bij voor het gerecht daagt om iets dat ik niet geschreven heb en dat mijn uitgever niet heeft laten drukken – om iets dat het resultaat is van falend leesgedrag of van kwade trouw, of van allebei.

Ten einde zijn gelijk te halen heeft de eiser zich niet ontzien om een strikt persoonlijke brief van mij aan een nicht van hem aan de dagvaarding te hechten.

Ik word ervan beschuldigd de nagedachtenis van mevrouw Koelewijn te hebben bezoedeld. Ik koester groot ontzag voor mensen die hun overleden moeder in ere houden – ik ben er zelf zo een. Maar in het onderhavige geval vraag ik me af welke dienst Peter de geheugenis van mevrouw Koelewijn bewijst als hij mij per rectificatie in drie grote landelijke kranten wereldkundig wil laten maken dat zijn familie er geen illegale abortuspraktijk op na heeft gehouden. ‘Waar rook is, is vuur’, zo redeneert de goegemeente, en men gniffelt er lustig op los.

Het is precies om die reden dat ik niet meteen begin september, na ontvangst van de eerste eis tot rectificatie, contact met de pers heb gezocht. Nu er een dagvaarding ligt, word ik ertoe gedwongen.

Sinds ik romans schrijf, heb ik meer dan eens te maken gehad met de klacht dat ik iemand ‘te herkenbaar’ zou hebben neergezet. Ik vrees dat als ik, om het probleem te vermijden, op sciencefiction zou overgaan, uitsluitend spelend onder marsmannetjes, er altijd wel een neefje met maagproblemen opstaat – een beetje groen uitgeslagen ventje – om te protesteren dat ik hem ‘te herkenbaar’ heb neergezet. De klacht ‘te herkenbaar’ mondt, na enige discussie, onveranderlijk uit in de klacht ‘niet herkenbaar genoeg’. Een naadloze paradox, waar de schrijver op stukloopt. Natuurlijk, elk gezond ijdel mens ziet zich en profil liever met z’n gave gezichtshelft geportretteerd dan met de pokdalige.

    • A.F.TH. van der Heijden