Het gevaar komt van binnenuit

Rusland laat steeds meer zijn tanden zien, zo bleek de afgelopen weken opnieuw. Dat zegt echter niets over de binnenlandse stabiliteit van het land. Want in bestuurlijk opzicht is het er een grote en onvoorspelbare chaos.

Dat het Rusland van Vladimir Poetin moreel failliet is, bleek pas goed op 4 november 2010. Elf gewapende mannen drongen die dag het huis binnen van een welgestelde boerenfamilie in een dorp in de Zuid-Russische provincie Krasnodar en vermoordden de acht aanwezige mannen en vrouwen en hun vier kleine kinderen. Hun lijken staken ze in brand. Daarna dronken ze in de snackbar om de hoek een biertje.

Die moord zou tot een verslag op de staatstelevisie beperkt zijn gebleven als een maand later een jonge medewerkster van het Openbaar Ministerie niet een videoboodschap aan de toenmalige president Medvedev op YouTube had geplaatst. Hierin maakte ze bekend dat haar baas de toedracht van de slachtpartij probeerde te verhullen en haar van het onderzoek had afgehaald.

Het federale OM werd nu ingeschakeld, dat de daders in een mum van tijd opspoorde. Het bleek om een lokale maffiabende te gaan onder leiding van een vooraanstaande politicus, die het dorp al twintig jaar terroriseerde. Ze konden hun gang gaan, omdat de lokale autoriteiten tot op het hoogste niveau waren omgekocht.

Voor het eerst was openlijk aangetoond hoe Rusland eigenlijk werd geregeerd. Want zoals in Krasnodar was het overal. Poetin had van Rusland een land gemaakt waar de maffia zich met de staat had vermengd.

De gebeurtenissen in Krasnodar gebruikt de Britse journalist Ben Judah (1988) als uitgangspunt voor zijn voortreffelijke boek over de snelle opkomst en langzame neergang van Vladimir Poetin: Fragile Empire. How Russia fell in and out of love with Vladimir Putin. Het is het beste boek dat ik in jaren over Rusland heb gelezen.

Judah geeft allesbehalve een eenzijdig beeld van de Russische leider, maar maakt een sterkte-zwakteanalyse op van diens beleid. Daardoor laat hij Poetin in zijn waarde en heeft hij ook oog voor het goede wat hij aanvankelijk heeft gedaan. Judah doet dat aan de hand van gesprekken met zowel voor- als tegenstanders van het regime. Zo laat hij een lokale politicus uit Sint-Petersburg uitleggen wat Poetins kwaliteiten zijn: hij heeft mensenkennis, weet zich te omringen met de juiste vrienden, blijft trouw aan hen en is heel tactvol.

Poetins vermogen om met de juiste personen vriendschap te sluiten is volgens Judah beslissend geweest bij het vestigen van zijn machtsbasis. Die bestaat vooral uit ex-KGB’ers en collega’s uit zijn tijd als locoburgemeester van Sint-Petersburg. Zij kregen vrijwel alle belangrijke functies binnen de regering en de grote staatsbedrijven, wat hen vaak tot multimiljonair of miljardair maakte. Het gezamenlijke vermogen van die kleine vriendengroep bedraagt inmiddels meer dan 180 miljard dollar, waarvan Poetin zelf een aanzienlijk deel lijkt te bezitten.

Judah zet Poetin neer als een controlfreak, die aan het begin van zijn heerschappij een beslissende fout maakte door de federale ambtenarij en veiligheidsdienst FSB drastisch uit te breiden en een rigide centralisatie van de macht door te voeren. De reden daarvoor was dat hij vreesde dat Rusland anders uiteen zou vallen. Het gevolg hiervan was echter dat lokale bestuursorganen machteloos raakten en Rusland per telefoon vanuit Moskou werd geregeerd. In plaats van efficiency, leidde dit tot bestuurlijke verlamming in de provincies en corruptie in alle lagen van zowel de ambtenarij als van Poetins neppartij en applausmachine Verenigd Rusland. Voeg daarbij dat volgens Europol inmiddels 20 procent van de parlementsleden, 40 procent van de directeuren in het bedrijfsleven, 50 procent van de bankiers en 60 procent van de directeuren van de grote staatsondernemingen banden heeft met de criminaliteit en de anarchie is compleet.

Volgens Judah zijn Poetins conservatieve (ex-)KGB-vrienden in de regering en de staatsondernemingen als groep niet te vergelijken met de vroegere KGB. Die was weliswaar repressief en gewelddadig van aard, maar amper corrupt. Van een anti-westerse KGB-staat, zoals de oppositie vaak roept, is dan ook geen sprake. Eerder ziet Judah hen als elkaar beconcurrerende hovelingen, zoals die aan het hof van de Engelse koningin Elisabeth I bestonden. Het is een mooie vergelijking, omdat steeds duidelijker wordt dat Rusland met een archaïsche bestuursstructuur kampt, die steeds meer botst met de middenklasse.

Die dynamische, jonge groep, die dankzij de onder Poetin sterk gestegen olieprijs inmiddels 20 procent van de bevolking uitmaakt, voelt zich door de corruptie in haar ontplooiingsmogelijkheden belemmerd en laat zich niet meer beïnvloeden door de beloftes die Poetin dagelijks op de staatstelevisie doet. Eerder is ze zich er dankzij objectieve internetberichtgeving steeds meer van bewust dat echte hervormingen uitblijven.

Een andere fout die Poetin volgens Judah heeft gemaakt is dat hij miljoenen migranten in Rusland heeft toegelaten, die als zwaar onderbetaalde gastarbeiders het vuile werk doen en als zondebokken dienen voor de etnische Russen die het slecht gaat. Meer en meer is Moskou daardoor het toneel van gewelddadige rassenrellen. Nationalistische groeperingen, die deze rellen ontketenen, werden jarenlang door het Kremlin gebruikt om in de staatsmedia te kunnen benadrukken dat na Poetin de anarchie uit zal breken. Maar nu ze aan de leiband van het regime zijn ontsnapt, dreigen ze pas echt anarchie te veroorzaken.

Poetin was aanvankelijk bij een groot deel van de bevolking populair, ook omdat hij Rusland weer deed gelden op het internationale podium. Maar in 2008 sloeg de waardering om, toen de wereldwijde economische crisis de olieprijs liet kelderen en de welvaart in gevaar bracht.

Interessant is dat Judah beweert dat Dmitri Medvedev, die in dat jaar president was geworden, zich toen actief inzette om de anti-corruptieblogger Aleksej Navalny ongestoord zijn gang te laten gaan in de hoop dat de corruptie zou afnemen. Dat Navalny drie jaar later de belangrijkste tegenstander van het regime kon worden, had binnen het Kremlin niemand voorzien. Hetzelfde geldt voor de steun die Navalny inmiddels uit het Russische bedrijfsleven krijgt: een lid van de raad van bestuur van de machtige Alfabank is zelfs naar zijn kamp overgelopen.

Goed onderbouwd laat Judah zien dat Medvedevs politiek, hoe weinig daarvan ook is gerealiseerd, voor een breuk in de door Poetin geschapen consensus zorgde. Zijn onbenullig ogende getwitter en geblog over aanstaande hervormingen hebben dus wel degelijk iets losgemaakt, al was ook dit allesbehalve de bedoeling.

Maar het broeit niet alleen binnen de middenklasse, die terugschrikt voor Navalny’s revolutionaire taal. Ook in de lagere gelederen van de ambtenarij, het leger en de veiligheidsdiensten is de jongere generatie ontevreden, nu het er steeds meer naar uitziet dat er geen mogelijkheden bestaan om hogerop te komen. Judah ziet in die frustratie het grootste gevaar voor het huidige regime opdoemen. Want als je alleen nog maar via connecties en geld carrière kunt maken, kweek je een groep van boze capabele mensen die een goed functionerende staat nog meer zullen ondermijnen. Een paleisrevolutie lijkt dan op den duur onvermijdelijk.

    • Michel Krielaars