Gezocht: exotische achternamen

Een heel klein aantal advocaten heeft een niet-westerse achtergrond. Terwijl zo’n 20 procent van de rechtenstudenten van oorsprong Marokkaans, Turks of Surinaams is. Initiatieven om dat te veranderen, stranden. Hoe kan dat?

Foto’s David van Dam

Een kleine kennismaking met de advocaat-stagiair op de Zuidas. Een jongen of meisje halverwege de twintig. Type work hard, play hard. Heeft hoge cijfers gehaald aan de universiteit. Liefst cum laude. Is ook sociaal vaardig. Is lid geweest van een studentenvereniging en borrelt nu gezellig mee op de VrijMiBo. Doet aan sport, bijvoorbeeld rennen, roeien of fietsen. Heeft tijdens de studie een bestuursfunctie en/of vrijwilligerswerk gedaan. Heeft ook buitenlandervaring. En oh ja, is een autochtone Nederlander.

Dat laatste, daar zouden grote advocatenkantoren graag verandering in zien. Turkse, Marokkaanse of Surinaamse pleiters? Graag! Maar echt lukken wil dat niet.

Aan aanbod geen gebrek. Rechten is één van de studies met het hoogste percentage studenten met een niet-Nederlandse achtergrond. Gemiddeld is 20 procent van de in totaal 27.000 rechtenstudenten een niet-westerse allochtoon, blijkt uit gegevens van universiteitsclub VSNU. Dat betekent dat de student of één van de ouders niet in Nederland is geboren. Op de Vrije Universiteit in Amsterdam en de Erasmus Universiteit Rotterdam ligt dat percentage zelfs bijna twee keer zo hoog.

Het aantal allochtone advocaten steekt daar sneu bij af. Maar zo’n 1,5 procent van de advocaten in Nederland heeft een niet-westerse achtergrond, volgens de laatste schatting van de Nederlandse Orde van Advocaten. Wel ligt dat percentage onder startende advocaten hoger: daarvan is zo’n 10 procent niet-westerse allochtoon, schat de Orde. Daarvan gaan de meesten aan de slag bij kleinere kantoren.

Pogingen om hier verandering in te brengen zijn talrijk – ‘diversiteit’ is in deze operatie het codewoord. Bijna dertig grote kantoren tekenden de ‘Intentieverklaring Diversiteit’. De Nederlandse Orde van Advocaten riep er een speciale Commissie Diversiteit voor in het leven. HR-afdelingen namen diversity managers in dienst. Gevestigde advocaten lieten zich als ‘advo-coach’ koppelen aan allochtone rechtenstudenten om ze te introduceren op de Zuidas. En Marokkaanse advocaten startten het Nederlands Marokkaans Juristennetwerk (NMJ) om meer Marokkanen de grote kantoren in te krijgen.

Overweldigend succes bleef alleen uit. Inmiddels bestaat er binnen de Orde discussie over de invulling van de Diversiteitscommissie, is het ‘advo-coach’-project stilgezet en is het NMJ opgedoekt.

Wittemannenbolwerken

Waarom lukt het maar niet om meer getalenteerde allochtone afgestudeerden op de Zuidas te krijgen?

„Ze melden zich weinig bij de grote kantoren”, zegt Joost Linnemann, voorzitter van van Commissie Diversiteit van de Nederlandse Orde van Advocaten en partner bij Kennedy Van der Laan. Dat heeft te maken met imago – veel allochtone studenten hebben volgens hem een „vertekend beeld” van de advocatuur. „Wittemannenbolwerken in een corporale setting”, vat hij samen. Een béétje een punt hebben ze wel, geeft hij toe. „Er zit een kern van waarheid in, maar niet in de mate waarin studenten denken.”

„Zij kunnen ons niet vinden”, herkent ook Irene van der Veen. Zij is verantwoordelijk voor het personeelsbeleid bij advocatenkantoor NautaDutilh. „Maar wij kunnen hén ook niet vinden. We zitten niet in hun netwerken.” Die zoekt het kantoor actief op. NautaDutilh verbond zich aan het Moroccan Dutch Leadership Institute en recruiters krijgen een training ‘interculturele communicatie’.

Tegelijk pakken allochtone afgestudeerden die wél solliciteren het niet altijd even handig aan. Bij het opstellen van hun cv bijvoorbeeld. „Een Nederlander meet een tweederangs bestuursfunctie of feeststage in het buitenland zo breed mogelijk uit”, is de ervaring van Joost Linnemann. „Maar een allochtone student die bijvoorbeeld jarenlang de administratie in de winkel van zijn ouders deed, vermeldt dat niet. Terwijl dat heel zinvolle ervaring is.”

Alles voor de cliënt

En als ze dan wél binnenkomen, is het nog niet altijd prijs. „Ik heb het op kantoor uitstekend naar mijn zin”, zegt Laila Berrich, advocaat bij Loyens & Loeff. „Maar wat dat betreft ben ik niet helemaal representatief.” De 39-jarige Berrich, zelf van Marokkaanse afkomst, heeft jonge allochtone collega’s zien binnenkomen én vertrekken. Die konden niet gedijen, weet Berrich. „Het is een enorm cliché”, zegt ze, haast verontschuldigend. „Maar dat zit ’m volgens mij toch in de kantoormentaliteit. De borrelcultuur, de grappen die gemaakt worden – kleine dingen.”

Dan niet, zouden advocatenkantoren ook kunnen zeggen. Er zijn – zeker in deze tijd – meer gegadigden dan plekken. Keus te over. Maar de kantoren geven niet op. Dat komt gedeeltelijk voort uit morele overwegingen, maar misschien nog wel meer uit zakelijke.

Een kantoor met advocaten die allemaal inwisselbaar zijn, dat heeft tegenwoordig iets provinciaals. Met name internationale cliënten verwachten een divers aanbod, vertellen grote kantoren uit eigen ervaring. Wie dat niet kan bieden, loopt in toenemende mate het risico klandizie mis te lopen. Hoe meer exotische achternamen, hoe beter dus.

Bovendien, zeggen kantoren, willen ze alleen werken met de top: de slimsten, de snelsten, de succesvolsten. En die top zit onvermijdelijk ook verscholen in de grote groep allochtone juristen. Het is zaak die eruit te filteren – voor de concurrent ermee aan de haal gaat.

De speurtocht naar de allochtone topadvocaat is nog niet gestaakt. Alleen is het dus eerst nog even zoeken naar een effectieve vindmethode.

    • Teri van der Heijden