Een held en een charlatan

We staan op het Heldenplein in Boedapest. Mijn gids is een oudere heer die hier al zijn hele leven woont. Hij gebaart in de richting van wat standbeelden en zegt: tragische mannen, want ze werden genadeloos door de geschiedenis ingehaald. Uitzonderingen? informeer ik. Zijn gezicht klaart op. Wat volgt is een college over de arts Ignatius Semmelweis. Terwijl mijn gids praat, vervolgen we onze tocht door Boedapest, die nu geheel in het teken van Semmelweis komt te staan: hier is het ziekenhuis waar Semmelweis werkte, daar is de medische faculteit die de naam van Semmelweis draagt en zo verder.

We steken de Donau over en komen bij het huis waar Semmelweis in 1818 werd geboren. Zijn vader dreef er een kruideniershandel. Een paar jaar geleden werd het pand ingrijpend gerenoveerd en het herbergt nu een fraai museum. De collectie omvat mijlpalen uit de Hongaarse geneeskunde: de eerste röntgenfoto in het land, een antieke tandartsstoel, en portretten van Hongaarse medici met hoge voorhoofden. Maar de nadruk ligt toch vooral op Semmelweisiana. Ze maken de geschiedenis van de man tastbaar. Hoe hij naar Wenen toog om er geneeskunde te gaan studeren, hoe hij zaalarts werd van een kraamafdeling, hoe hij ontdekte dat er op zijn afdeling veel meer vrouwen overleden aan kraamkoorts dan op een naburige afdeling, en hoe hij piekerde over de mogelijke oorzaak.

Op zijn zaal assisteerden voortdurend geneeskundestudenten die net daarvoor obducties hadden uitgevoerd. Op de andere afdeling waren enkel voedvrouwen werkzaam. Semmelweis besloot dat zijn assistenten voortaan hun handen moesten wassen. Maandenlang turfde hij de sterftestatistieken. Het aantal sterfgevallen duikelde naar beneden. Hij zag daarin het bewijs dat vuile handen kraamkoorts veroorzaken. Hoe wist hij niet, maar dat het zo was, stond voor hem vast.

Een ereplaats in het museum heeft het boek dat Semmelweis later over zijn onderzoek schrijft: Die Aetiologie, der Begriff, und die Prophylaxis des Kindbettfiebers (1861). Het is nog steeds goed leesbaar. Als het boek verschijnt, is Semmelweis al lang weer in Boedapest. In Wenen heeft hij te veel vijanden gemaakt. Zijn meest invloedrijke opponent – met een pompeus portret aanwezig in het museum – is de hoogleraar Carl von Braun, die het later tot rector van de Weense universiteit weet te schoppen. Von Braun schaft het handen wassen af. Want dokters hebben van nature schone handen. De kraamkoorts grijpt weer om zich heen. Komt door atmosferische fluctuaties, aldus Von Braun.

Woedend over zoveel stupiditeit publiceert Semmelweis open brieven waarin hij zijn Weense collega’s uitmaakt voor moordenaars. Dat komt hem op nog meer tegenwerking te staan. Zijn laatste foto laat een gedrongen, kalende Semmelweis met een zorgelijke blik zien. Even daarna wordt hij opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij op 47-jarige leeftijd sterft aan – oh ironie – een bloedvergiftiging.

Na zijn dood krijgt Semmelweis alsnog het volledige gelijk van de microbiologen. Zijn weduwe heeft nog net de publicatie van de eerste biografie over haar man kunnen meemaken. Het boek ligt prominent uitgestald in de laatste vitrine van het museum.

We staan weer buiten, aan de oevers van de Donau. Wat een held hè? zegt mijn gids. Ik vraag hem naar een andere naam uit de Hongaarse wetenschap: de marxistische theoreticus György Lukácz. Zijn museum moet hier toch ook in de buurt liggen. Mijn gids raakt geïrriteerd: weet je wat Lukácz heeft ontdekt? Dat klassenbewustzijn zich pas ontwikkelt door overstijging van de reïficatie die onderscheidend is voor burgerlijke cultuur. Snap ik dat soort obscurantisme? Wist ik dat Lukácz een politieke opportunist was? Hij legt uit dat Boedapest de telg uit een puissant rijke bankiersfamilie begon te vergeten zodra de Berlijnse muur viel. En dat zijn museum inmiddels is opgedoekt en dat zijn esoterische verhandelingen over het communisme zelfs de ramsj niet meer halen. Als me nog iets van waarde te binnen schiet dat met de naam Lukácz is verbonden, moet ik even mailen. En weg is mijn gids.

Hoe het kan verkeren. In de jaren zeventig van de vorige eeuw was Lukácz een icoon aan onze faculteiten sociologie en filosofie. Hele colonnes studenten schreven lijvige doctoraalscripties over hem of over zijn vrienden van wat toen gewichtig de Frankfurter Schule heette. Het was de tijd dat dialectische boektitels – Hoop Voor De Toekomst; Toekomst Voor De Hoop, dat type werk – garant stonden voor flinke oplages. Het was ook de tijd dat hypercomplex proza gold als teken van intellectueel raffinement. Hoe zouden de studenten van toen nu op hun scripties terugkijken? Jammer dat niemand daar nou eens een mooi artikel over schrijft.

Terug in Nederland zie ik een televisiespotje waarin een paar cursisten Lukácziaanse volzinnen ten beste geeft. Het is reclame voor een of andere opleiding van de LOI. In zekere zin leeft hij dus voort. En ik sla Medisch Contact open. Titel van een artikel: Waarom dokters hun handen niet wassen. Semmelweis doet er ook nog steeds toe. Maar dan toch op een voornamere manier.

    • Harald Merckelbach