Dus jij denkt te weten wat verveling is? J

Essay //

Hoe voelt het om 25 jaar in eenzame opsluiting te leven? Het verhaal van William Blake.

William Blake tijdens een tv-interview: de eerste keer in twintig jaar dat hij buitenkwam.

e verdient het om eeuwig in de hel te branden”, zei rechter Kevin Mulroy van het hooggerechtshof van Onondaga County tegen me vanaf zijn stoel, toen ik op 10 juli 1987 voor hem stond om te worden veroordeeld. Blijkbaar had hij het idee dat God niet de enige was die zulke oordelen mocht uitspreken.

Rechter Mulroy wilde „voor zes dollar aan elektriciteit in [mijn] lichaam pompen”, voegde hij eraan toe, hoewel ik vermoed dat het nog geen zes cent zou hebben gekost om me dood te krijgen. Hij moet zowel mij als De Stoel tot een hoopje as hebben willen reduceren. Maar mijn „vriend”, gouverneur Mario Cuomo, had hem niet toegestaan om dat te doen, vervolgde de rechter. Hij beklaagde zich over het feit dat de staat New York geen doodstraf kende, als gevolg van de herhaalde veto’s van de toenmalige gouverneur tegen de wetsvoorstellen dienaangaande die door de wetgevende vergadering van die staat waren goedgekeurd. Dat gouverneur Cuomo publiekelijk uiting gaf aan zijn verontwaardiging om door rechter Mulroy een vriend van mij te worden genoemd, was begrijpelijk, gezien de misdaden waarvoor ik zojuist was veroordeeld. Eerlijk gezegd had ik ook niet veel met hém op. Naar mijn mening had hij te veel nieuwe gevangenissen gebouwd, en te veel educatieve programma’s geschrapt in de gevangenissen die er al waren.

Ik weet dat rechter Mulroy bepaald niet de enige was die wilde dat ik zou worden geëxecuteerd voor de misdaad die ik had begaan toen ik twee deputies van de sheriff van Onondaga County had neergeschoten in de rechtszaal van DeWitt, tijdens een mislukte ontsnappingspoging. Ik had één van hen gedood en de ander levensgevaarlijk verwond. Er waren veel mensen in Syracuse die het met hem eens waren. Ik las de van haat overlopende brieven aan de redactie, die in de plaatselijke kranten stonden; ik kon zelfs de woede van de mensen voelen als ik naar de rechtszaal ging, zo tastbaar was die. Ook op grond van de normen van mijn eigen geloofssysteem, zoals dat toen was, verdiende ik het om te sterven voor wat ik had gedaan. Ik had zomaar iemand van het leven beroofd en een daad begaan die zo monumentaal verkeerd was, dat ik niet had kunnen beweren dat het oneerlijk was als ik daarvoor met mijn eigen leven had moeten boeten.

25 jaar in The Box

Wat niemand destijds wist of zelfs maar kon vermoeden, ook ik niet, was dat op diezelfde dag een straf zou ingaan die ongetwijfeld veel erger is dan iedere doodstraf had kunnen zijn. Op 10 juli 2012 zat ik 25 jaar achtereen in eenzame opsluiting, een situatie die op het moment dat ik dit schrijf nog steeds voortduurt. Hoewel het waar is dat ik nooit ben gestorven en dus niet precies weet wat die ervaring zou inhouden, kan ik me op geen enkele manier voorstellen hoe het sterven van welke dood dan ook moeilijker of verschrikkelijker zou kunnen zijn dan het doorstaan van alles wat ik de afgelopen kwart eeuw heb moeten doorstaan.

Gevangenen noemen het The Box. De gevangenisautoriteiten hebben het eufemistisch de Special Housing Unit of SHU gedoopt. In de maatschappij staat het bekend als ‘eenzame opsluiting’. Je wordt 23 uur per dag opgesloten in een cel die kleiner is dan sommige kasten die ik heb gezien, waarbij een uur is toegekend aan ‘recreatie’. Daarbij word je in je eentje in een afgesloten betonnen ruimte geplaatst, en in sommige gevangenissen in een kooi van stalen tralies. In zo’n SHU yard bevindt zich niets dan lucht; er is geen tv, er zijn geen ballen om tegenaan te trappen, er zijn geen spelletjes die je kunt spelen, geen andere gevangenen, niets.

Er wordt ook heel weinig toegestaan in een SHU-cel. Drie stuks wit ondergoed, een groene broek, een groen overhemd met korte mouwen, een groen sweatshirt, tien boeken of tijdschriften, twintig foto’s van de mensen van wie je houdt, schrijfgerei, een stuk zeep, een >> >> tandenborstel en tandpasta, een deodorantstick en geen shampoo. Dat is het wel ongeveer.

Geen eigen kleren, alleen gevangeniskleding. Geen voedsel uit de kantine of uit verpakkingen, alleen maar drie onappetijtelijke maaltijden per dag, die je krijgt aangereikt door een nauwe gleuf in de deur van je cel. Geen telefoon, geen tv, geen luxespullen. Je krijgt een goedkope koptelefoon, en je kunt kiezen tussen twee of drie (afhankelijk van de gevangenis waarin je zit) gaten in de muur waar je de plugjes in kunt steken. Je kunt naar een televisiezender luisteren en je verbeelding gebruiken als je probeert erachter te komen wat er aan de hand is als de muziek dramatisch klinkt, maar de dialoog je niets wijzer maakt. Of je kunt naar muziek luisteren, maar je hebt pech als je van rock ‘n’ roll houdt en er alleen maar rap wordt gedraaid.

De opties om je tijd in eenzame opsluiting door te brengen zijn schaars, maar je zult je beslist vervelen. Je denkt waarschijnlijk dat je weet wat verveling is, dat je weet hoe het voelt, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Wat jij ‘verveling’ noemt, zou op mij overkomen als een wervelwind van activiteit, met zo veel mogelijkheden dat ik waarschijnlijk in de war zou raken als ik zou proberen te kiezen. Jij kan een tv aanzetten om naar een film of naar een of ander programma te kijken; ik heb al sinds de jaren tachtig geen tv meer gekeken. Jij kan een wandeling in de buurt gaan maken; ik kan in iedere richting nog geen meter lopen voordat ik op een betonnen muur of stalen tralies stuit. Jij kunt je telefoon pakken en een vriend bellen; ik weet niet eens of ik me zou herinneren hoe ik een collect call moet maken, en ik weet ook niet of dat nog steeds op dezelfde manier gaat, zo lang is het geleden dat ik een telefoon heb gebruikt. Jij kunt met je hond of kat spelen en hun liefde ervaren, of naar je vissen in hun aquarium kijken; de enige wezens die ik dagelijks zie zijn de muizen en kakkerlakken die hier wonen, en die zijn niet erg aantrekkelijk om naar te kijken. Als je er goed over nadenkt zijn er best een hoop dingen die je kunt doen, zelfs als je gelooft dat je je vreselijk verveelt. Je vindt ze vanzelfsprekend, omdat ze er altijd zijn, maar als ze allemaal zouden worden weggenomen, zou je ook de dingen missen die nu klein en onbelangrijk lijken. Zelfs de kleinste dingen kunnen enorm belangrijk worden als je veel te lang bijna niets hebt gehad.

Als je omhoogkijkt zie je tralies

Ik ben nu al bijna vier jaar niet meer buiten in een van die SHU yards van deze gevangenis geweest. Ik heb in al die tijd geen boom of grasspriet meer gezien, en zou die dingen ook niet zien als ik naar de yard zou gaan. In de Elmira Correctional Facility, waar ik momenteel vastzit, zijn de SHU yards ongeveer drie tot vier keer zo groot als mijn cel. Er zijn in totaal twaalf SHU yards, elk omringd door betonnen muren, waarvan er een of twee zijn voorzien van ramen. Als je door zo’n raam kijkt, kun je misschien een blik werpen op iemand die maandenlang in de cel naast jou heeft gezeten en waar je iedere dag mee hebt gepraat, zonder dat je hem ooit hebt kunnen zien. Als je omhoogkijkt, zie je tralies en een scherm, en als je geluk hebt, kun je misschien een stukje blauwe lucht zien, anders is het zelfs moeilijk te geloven dat je buiten bent. Als het een goede dag is, kun je kleine rondjes lopen in de SHU yard, terwijl je voor je uit staart en je geest leeg is, net als de leegheid die je in die lacune bij je draagt. Maar als het een slechte dag is, kan je geest zijn gevuld met herinneringen aan alles wat je vroeger had en al jaren niet meer hebt gezien, en zul je dat missen, het verlies voelen.

Het leven in de Box is van een sobere eenvormigheid, die het moeilijk maakt onderscheid te maken tussen die ene dag en duizenden andere. Er gebeurt nooit iets waaruit je zou kunnen afleiden of het een maandag is of een vrijdag, maart of september, 1987 of 2012. De wereld draait door, de technologie schrijdt voort, en de dingen op straat veranderen en blijven de hele tijd veranderen, maar niet als je in eenzame opsluiting zit. Ik heb nog nooit een mobiele telefoon gezien, behalve op plaatjes in tijdschriften. Ik heb in mijn leven nog nooit een computer aangeraakt, ben nog nooit op het internet geweest en zou niet weten hoe ik dat zou moeten doen als je me voor een computer zou zetten. De SHU is een tijdloze plek en ik kan in alle eerlijkheid zeggen dat er, als ik nu om me heen kijk, niets is dat er anders uitziet dan wat ik zag in de Box van de Shawangunk Correctional Facility toen ik daar in 1987 aankwam vanuit de gevangenis van Syracuse. Er is waarschijnlijk in honderd jaar helemaal niets veranderd in de SHU, behalve de koptelefoons. Toen en nu waren er een paar boeken, een paar stuks gevangeniskledij, muren en tralies, en mensen, opgesloten in kooien... en een hoop ellende.

Er is altijd de ellende. Als het je lukt om er zelf voor een tijdje aan te ontsnappen, zal er meer dan genoeg van over zijn om het in anderen te voelen; en ook al kun je niet in hun ogen kijken om het te zien, je kunt het ’s nachts horen als stoere mannen niet zulke stoere tranen plengen, die uit hen worden geperst door de niet aflatende stress waar het leven in de SHU een oefening in is.

Ik heb gelezen over de onderzoeken naar de effecten op gevangenen van langdurige isolatie in eenzame opsluiting, ik heb gelezen dat onderzoekers zeggen dat het iemands geest kan vernietigen, en ik heb met mijn eigen ogen het langzame afglijden van geestelijk gezonde mannen in de waanzin gezien – soms niet eens zo langzaam. Waar ik de deskundigen echter nooit over heb zien schrijven, is wat jaar na jaar van abjecte isolatie kunnen betekenen voor dat immateriële deel in ons midden waar de hoop overleeft of sterft, en waar de geest resideert. Sta mij dus alsjeblieft toe om te spreken over wat ik heb gezien en gevoeld tijdens een deel van de moeilijkere tijden van mijn 25-jarige SHU-odyssee.

Ik heb tijden meegemaakt die zo moeilijk waren, en verveling en eenzaamheid in zulke grote mate gevoeld, dat het iets fysieks binnen in mij leek, zó groot dat het voelde alsof het me wilde verstikken en het verstand uit mijn hoofd, de geest uit mijn ziel en het leven uit mijn lichaam wilde persen. Ik heb gevoeld hoe hoop iets vaags en voorbijgaands kan worden, moeilijk om grip op te krijgen, en nog moeilijker om grip op te krijgen naarmate de jaren en vervolgens de decennia zijn verstreken, terwijl ik maar gevangen bleef zitten in de leegte van de SHU-wereld. Ik heb geesten de helling van het verstand zien afglijden naar krankzinnigheid, en ik ben heel bang geweest om te eindigen als de mannen om me heen die zijn gebroken en gek zijn geworden. Het is iets droevigs om een mens voor je ogen waanzinnig te zien worden, omdat hij de druk niet aankan die de Box op de geest uitoefent, maar het is nog droeviger om de geest uit een ziel getrokken te zien worden, en desastreuzer. Soms vinden de bewakers hen als ze blauw aangelopen ergens hangen; soms breken ze hun nek als ze uit bed springen en het laken dat ze om hun nek hebben geknoopt en hebben vastgemaakt aan het rooster van de lamp aan het plafond zich met een plop straktrekt. Ik heb gezien hoe de geest mannen in de SHU heeft verlaten en ben getuige geweest van de gevolgen.

De Box is een plek die op geen enkele andere plek op aarde lijkt. Het is een plek waar mannen vol woede bij de deur van hun cel staan te fulmineren tegen hun buurman of buurmannen. Ze spreken en schreeuwen dan de smerigste woorden die ooit uit een menselijke mond kunnen komen en doen dat uren achtereen. En ondanks dat alles raken ze nooit ook maar één tand kwijt, en wordt hun hoofd nooit van hun romp geslagen. Je zult nooit woorden horen die verachtelijker zijn of scheldpartijen zien die waanzinniger zijn dan wat er voortdurend in de SHU gebeurt, waar dan ook ter wereld, want dan zou er onmiddellijk sprake zijn van serieus geweld voordat iemand zó lang zó veel smerigheid in de mond zou kunnen nemen. In de Box zorgen de zware stalen tralies ervoor dat monden ongestraft tekeer kunnen gaan zoals ze dat op andere plekken nooit zouden kunnen doen, terwijl de sfeer er een is die leidt tot een buitengewoon heet soort woede, die de lippen lijkt aan te zetten tot het uiten van belachelijke extremiteiten. Dag en nacht ben ik wakker geworden door het geluid van woede die luidruchtig op de deuren van de SHU werd losgelaten, en ik zou liegen als ik zou zeggen dat ik zelf niet zo nu en dan een van die schreeuwende gekken ben geweest.

Het stinkt hier als de hel

Ik heb maanden geleefd waarin het eerste waarvan ik me bewust werd als ik ’s morgens wakker werd de stank van menselijke uitwerpselen was, doortrokken van de scherpe lucht van dagen oude urine. Maanden waarin ik mijn ontbijt, lunch en diner heb moeten nuttigen terwijl diezelfde stank mijn zintuigen aanviel, en waarin mijn laatste gedachte voordat ik in een bewusteloze slaap viel was: verdomme, het stinkt hier als de hel. Ik heb me gevoeld alsof ik op een eiland zat, omringd door boosaardige haaien, aan beide zijden geflankeerd door geesteszieke gevangenen die hun uitwerpselen over hun hele cel heen smeerden, over de mensen buiten die cel en over zichzelf. Er waren dagen die overgingen in weken en >> >> die leken alsof ze nooit zouden ophouden, zonder in staat te zijn meer dan een paar korte beetjes te slapen, voordat ik weer ruw uit mijn dromen werd gewekt en teruggeworpen werd in een levende nachtmerrie, door het geschreeuw van zieke mannen die ieder vermogen waren kwijtgeraakt om zichzelf te beheersen, of door het gehamer op celdeuren en -wanden door diezelfde gekken. Ik ben zo moe geweest toen ik binnen niet kon slapen, dat ik in een sneeuwstorm naar buiten ben gegaan om wat slaap te krijgen.

De wind waaide hard en de sneeuwvlokken wervelden in de rondte in de kleine SHU yard van Shawangunk, en ik had maar één door de gevangenis ter beschikking gestelde jas en één enkel stel staatskleren daaronder. Om aan de bijtende kou te ontkomen begon ik te graven in de twee tot drie meter hoge berg sneeuw die in het midden van de yard was opgehoopt, door gevangenen die met scheppen een nauw paadje langs de omtrek ervan hadden vrijgemaakt. Met blote handen die helemaal gevoelloos waren geworden, groef ik een kleine ruimte in die hoop sneeuw, zodat ik een soort iglo voor mezelf kon maken. Toen ik klaar was, kroop ik naar binnen, rolde op mijn rug op de met sneeuw bedekte betonnen vloer, en viel bijna meteen in slaap, met mijn blote hoofd in de sneeuw. Ik had niet eens een muts.

Een uur later werd ik gewekt door de bewakers die waren gekomen om me terug te brengen naar de stank en de waanzin binnen: „Blake, het recreatie-uurtje zit er weer op...” Ik had precies een uur geslapen, minus de paar minuten die het me had gekost om mijn iglo te graven. Dat was meer slaap dan ik in weken had gehad, en ik was niet wakker geschrokken van het gekraak van een plexiglasruit waar met een gympie op werd geslagen, in de cel van een gevangene die over de rooie ging, of van het gedreun van een gevangene die op de muur en de tralies van zijn cel beukte, of van mannen die schreeuwden alsof ze doodgingen en dat misschien ook wel wilden, of van de tirade van een gevangene die al zijn opgekropte woede de vrije loop liet op een bewaker of een medegevangene, klinkend als de krankzinnige die het lange verblijf in de geestdodende omgeving van de Box van hem had gemaakt.

Ik had nat toiletpapier in mijn beide oren gestopt, mijn sokken opgevouwen en in mijn oren gepropt, een kussen langs de zijkant en de achterkant van mijn hoofd gewikkeld om mijn oren te bedekken, en daaromheen een laken gebonden om alles op z’n plek te houden, in bed liggend en biddend om te kunnen slapen. Maar het lawaai was nog steeds ongelooflijk, een donderende kakofonie van waanzin, en slaap was onmogelijk. Gevangenen die worstelden met een lava-achtige woede vuurden scheldkanonnades op elkaar af om redenen die zij zelf niet eens kenden, en dreigden elkaars moeders, vaders en zelfs kinderen te vermoorden.

Niets is heilig in de SHU. Het is een omgeving die zó abnormaal is, en zó in tegenspraak met normale menselijke interacties, dat het binnenste van iedereen die daar te lang verblijft op z’n kop wordt gezet. De geesten, de moraal en het gedrag raken er zeer door van slag, zodat iedereen uit balans wordt geslagen. Zelfbeheersing wordt een last en is ook onnodig met al dat beton en staal om je heen, dus de gevangenen laten zich helemaal gaan. Dag na dag, jaar na jaar, groeit de woede, gevoed door de pijn die door de omstandigheden wordt veroorzaakt, totdat die woede zo heet is geworden dat zij zelf ook pijn doet.

Eindeloze vergelding

Voor sommige rechters die hoog op hun stoel zitten en nog nooit een dag in de Box hebben hoeven doorbrengen, lijkt 25 jaar misschien niet overdreven wreed. Voor mensen die de haat niet kunnen loslaten en niet weten hoe ze moeten vergeven, doet geen enkele hoeveelheid wroeging ertoe, en is geen enkele mate van berouw ooit genoeg; alleen eindeloze vergelding is in hun ogen rechtvaardig. Net als rechter Milroy zou slechts een eeuwigheid in de hel hen tevreden stellen. Maar de niet-vergevende haters zouden die hel niet eens heet genoeg vinden; ze zouden willen dat de hitte nog wat werd opgedraaid. Gelukkig zijn deze mensen in de minderheid en vinden de meesten dat het op een gegeven moment wel genoeg is.

Wat de mensen ook mogen denken over zaken die ze zich zelfs in hun ergste nachtmerries niet kunnen voorstellen, ik weet dat 25 jaar eenzame opsluiting buitengewoon wreed is, méér dan de dood in of door een elektrische stoel, gaskamer, dodelijke injectie of kogel door je hoofd zou kunnen zijn. De som van het lijden, veroorzaakt door een van deze manieren van sterven, is niets vergeleken met de som van het lijden die deze kwart eeuw in de SHU mij heeft gebracht. Eenzame opsluiting voor de tijd die ik dat heb moeten doorstaan, zelfs nog los van de onmenselijke omstandigheden die zich daarbij maar al te vaak hebben voorgedaan, is foltering van de ergste soort; iedereen die het daar niet mee eens is, weet gewoon niet wat hij of zij moet denken.

Ik heb een straf uitgezeten die nog erger is dan de doodstraf. <<

Dit is een ingekorte versie van het verhaal waarmee William Blake een eervolle vermelding kreeg in een essaywedstrijd van Yale University. Het essay is gepubliceerd op www.solitarywatch.com. Vertaling: Menno Grootveld.