Designporno is saai

Timo de Rijk, designhoogleraar, kiest een Space Burger in de Euromast en zegt: „Design is hoe we onze huizen inrichten én onze levens.”

tekst Rinskje Koelewijn foto Ilja Keizer

Timo de Rijk met de High Tea Pot van Wieki Somers. De theepot is gemaakt van porselein en lijkt op een varkensschedel. „Een vervreemdend object.”

Timo de Rijk wacht aan de voet van de Euromast in Rotterdam. Donkerblauw pak, wit overhemd, geen das maar een dun gouden halskettinkje. Eerst een kaartje kopen – de Euromast is een ‘attractie’ – dan in de lift naar 112 meter hoog. Even uitstappen en over Rotterdam uitkijken. Met een hand houdt hij de reling vast, met de ander wijst hij naar het westen. Daar woonde hij eerst, in een modern appartement met balkons en balustrades waar hij zijn drie kinderen (6,9, 10) in gedachten talloze malen vanaf zag storten. Dus nu woont hij daar, ‘op Zuid’, in een vrijstaand jarenvijftighuis op de begane grond.

Timo de Rijk (50) is net benoemd tot hoogleraar Design, Culture & Society. Dat is een nieuwe, gezamenlijke leerstoel van de Universiteit Leiden en de Technische Universiteit in Delft. Een „unieke leerstoel”, zegt Timo de Rijk. In Delft geeft hij les aan industrieel ontwerpers, in Leiden aan studenten kunstgeschiedenis. Nergens anders krijgen „veranderaars” (Delft) en „beschouwers” (Leiden) hetzelfde onderwijs. Meestal zit er juist nogal wat afstand tussen ontwerpers en denkers over ontwerpen. Precies in dat gat zit Timo de Rijk. Deze week, tijdens de Dutch Design Week in Eindhoven, presenteerde hij het Dutch Design Yearbook. Een overzicht van de beste ontwerpen van dit jaar – van de inhuldigingsjurken van Máxima tot de glazen koepel op Museum de Fundatie in Zwolle. En een uitleg over wat de ontwerpen goed maakt en hoe ze in de ontwerphistorie passen.

We dalen af naar het restaurant. Een ronde ruimte met overal ramen. Aan de tafeltjes toeristen en plukjes vijfdegroepers op schoolreisje. Is hij soms Rotterdammer? Nee hoor, zegt hij. Hij is geboren in Zeeland. Opgegroeid in Hengstdijk, een dorpje in Zeeuws-Vlaanderen. Hij grinnikt. Zijn drie beste vrienden hielden hier laatst een verrassingsetentje voor hem. Voor zijn vijftigste verjaardag. „Ze vonden het heel grappig om het hier te doen.” Wat zij niet wisten is dat hij de uitkijktoren toen al had uitgekozen voor dit lunchgesprek. Een „lekker in your face Rotterdamse locatie”.

We zitten. Hij kiest de Space Burger. Lijkt hem goed passen bij de omgeving – en het staat leuk op de rekening. „En dan doe jij de Vega Burger.” Aha, begrijp ik, dit is een praktijkvoorbeeld designkunde. Want net zei Timo de Rijk nog: „Alles is design.” Het is meer dan de stoelen, tassen, lampen en serviezen die je in musea ziet. Het is ook meer dan een modern huis vol designspullen. Via Facebook ontvangt hij elke dag wel updates van interieurs. „Een stroom foto’s van strakke huizen met gietvloeren, veel staal en beton, hier en daar een groen plukje planten, perfect opgeruimd, geen mens te zien, laat staan een kind.” Designporno, noemt hij het. En de interieurs het equivalent van „siliconentieten”. „Anonieme perfectie, best mooi hoor, maar krankzinnig saai.”

Voor Timo de Rijk is design ook: hoe we eten, hoe we ons gedragen, hoe we onze levens inrichten. Populaire cultuur. Hij wijst naar de keuken, die in dit restaurant verborgen zit achter witte klapdeuren. „Twintig jaar geleden was een tafel dicht bij de keuken de slechtste plek die je kon krijgen. Nu is het de beste. De kok zien koken vinden we nu oorspronkelijk en authentiek. Dus verdwijnen de keukenmuren in restaurants.” Nog zoiets: waarom willen alle vaders nu een vuurtje stoken met hun kinderen? En waarom roosteren kinderen ineens allemaal marshmallows? „Is het de hang naar primitivisme? Een reactie op iets dat we zijn kwijtgeraakt? Is het omdat de vader van nu de hele dag achter zijn excel-sheets zit?” Hij wijst naar zijn telefoon (een iPhone), zijn auto die 96 meter onder ons geparkeerd staat (een Volvo), zijn handen zonder ringen. „We communiceren met onze producten en wat we ermee doen. We laten ermee zien wie we zijn.”

Zo klinkt hij meer als een antropoloog. Klopt, zegt hij. „Het verschil is dat voorwerpen voor antropologen bijzaak zijn, een illustratie bij een ritueel. Ik begin bij het voorwerp, bij de materiële cultuur.” En om de betekenis van die cultuur te begrijpen, bestudeert hij er de geschiedenis van. En wanneer begint de geschiedenis dan? Hij antwoordt eerst gedecideerd: halverwege de achttiende eeuw. „Bij het ontstaan van de consumptiemaatschappij.” Om daarna te zeggen dat het natuurlijk een willekeurig begin is. Want waren de oude Romeinen niet ook al consumenten, of de Italiaanse burgerij in de zestiende eeuw? Vast, maar hij begint liever bij Engeland, zo rond 1750. Wedgwood. Josiah Wegdwood richtte de aardewerkfabriek op waar we nu nog servies van kopen. „Hij was de Steve Jobs van zijn tijd. Hij bedacht nieuwe producten en vond nieuwe technieken uit om die producten te maken. Hij ontwierp zijn vazen en serviezen voor de middenklasse. Rijke Engelsen kochten Chinees porselein. Dat beter en goedkoper namaken, zou Wedgwood nooit lukken. Hij liet zijn klanten in zijn Londense showroom kennismaken met het neoclassicisme uit Frankrijk. Hij huurde kunstenaars in om in die stijl kandelaars en serviezen te ontwerpen. Voor het eerst ontstond er zoiets als een trend. Een mode voor de nieuwe middenklasse.”

Van Wedgwood en Apple springt Timo de Rijk naar Philips, om te laten zien dat een ontwerp meer is dan het omhulsel. Ook de toepassingen zijn design. Philips deed in de jaren twintig wat Apple nu met iTunes doet: ze ontwierpen het kastje (de radio) en de platenspelers, bezaten de muziekstudio’s die de platen opnamen, sloten de contracten met de artiesten en hadden zeggenschap over de gedraaide muziek in radio-uitzendingen. Een gesloten productieketen.”

Bauhaus

Het Engelse to design is bedenken, uitvinden, ontwerpen, zegt Timo de Rijk. En in een adem door: „Apple is design, auto’s zijn design, zelfs Auschwitz is design.” Pardon? Het ontwerp van Auschwitz is gemaakt door Fritz Ertl, een SS-er die was afgestudeerd als Bauhausarchitect. Op zijn oorspronkelijke tekeningen lijkt het kamp op een moderne buitenwijk, met groen aan de randen, met een overzichtelijk stratenplan en strookvormige woonblokken. „Grootschalig en efficiënt. Toegerust om zoveel mogelijk mensen uit te moorden.” Timo de Rijk kan uitleggen waarom de concentratiekampen niet mogelijk waren geweest zonder het Amerikaanse efficiencydenken. „De Amerikanen ontwikkelden de lopende band. Ze vereenvoudigden de toevoer en distributie van en naar hun fabrieken, standaardiseerden hun producten. Autofabrikant Ford perfectioneerde die productieketen, ineens kon elke Amerikaan een auto van hem kopen. Jozef Stalin en Adolf Hitler lieten zich inspireren door de Amerikaanse aanpak. Auschwitz is opgezet als een efficiënte vernietigingsfabriek.”

De vraag of design kunst is, kan ik nu zelf wel beantwoorden: nee, dat hoeft niet. Maar Timo de Rijk is wel gepromoveerd kunsthistoricus. „Ik was al heel jong met kunst bezig, met architectuur, met vormgeving.” Andy Warhol, het surrealisme, dada. Hij heeft geen idee waar die belangstelling vandaan kwam. Zijn vader werkte bij een chemische fabriek, zijn moeder was huisvrouw. Twee jongere zusjes. „Een keer per week kwam de bibliobus in ons dorp. Ik stond als jongetje om precies half vier te wachten op de halte. Die hele bus heb ik verslonden.” Kunstenaar wilde hij niet worden, het werd kunstgeschiedenis in Leiden. „Hoe zal ik het zeggen: de vroegchristelijke kunst, die van de Middeleeuwen, de laatgotische architectuur... Het is als met je boekenlijst op de middelbare school. Ik heb alles gelezen, maar weet er weinig meer van.” Hij houdt van de Renaissance, maar dan als „consument”.

Na zijn studie werkte hij bij Van Stockum’s veilingen (zijn opvolger daar was Alexander Pechtold, fractievoorzitter van D66). „Daar heb ik leren houden van het bestorvene van antiek. Voor vijfhonderd euro kun je twee meubelstukken bij Ikea kopen. Maar voor hetzelfde geld heb je een zeventiende-eeuwse kast. Twintig jaar geleden, toen iedereen het nog mooi vond, was het onbetaalbaar. Nu allang niet meer.” Op een veiling heeft hij net een achttiende-eeuwse schrijftafel gekocht. Uit Frankrijk. „Er is weinig mooi Nederlands antiek over. Onze voorouders zaagden van die mahoniehouten linnenkast fijn een arreslee.”Hij is geen verzamelaar, zegt hij. „Als ik een stoel aanschaf, let ik heus wel op of het ontwerp deugt. Maar ik ben niet bovengemiddeld geïnteresseerd in wat nieuw of mooi is.”

Als een spullenantropoloog ziet Timo de Rijk achter elk voorwerp het verhaal en het verleden. De vorken op tafel, de wijnflessen in de wijnrekken, de dessins in het behang. Wat hij ziet? Hij ziet Versailles, voormalig jachtslot nabij Parijs. Door de Franse zonnekoning Louis XIV rond 1680 omgebouwd tot pronkslot. „Frankrijk moest het epicentrum van de goede smaak worden. Mooier en luxer dan Italië. Alles wat de luxe industrie vermocht, moest in zijn paleis te zien zijn. De mooiste tuinen, de fraaiste gobelins (wandtapijten), luxueuze ornamenten. De koning stelde de norm.” De Franse smaak verspreidde zich over Europa, via prentenboeken en luxe producten. Drie en een halve eeuw later geldt die norm nog. „Frankrijk is luxe. Zonder Louis XIV had Louis Vuitton geen betekenis, kochten Aziaten geen dure flessen Bordeauxwijn, zouden de stoelen en lampen van designer Marcel Wanders er heel anders uitzien.” Weleens in de Jordaan geweest in Amsterdam, Ondiep in Utrecht, het Oude Noorden in Rotterdam?, vraagt hij. Weleens in de huiskamers gekeken? Porseleinen beeldjes, gedrapeerde gordijnen, koperen deurknoppen. „Lang behoorde de burgerman de koning niet te imiteren. Wie wil, maakt nu van zijn huis een mini-Versailles.” En met die slechte smaak, zegt hij, maken ontwerpers nu weer goede sier.

    • Rinskje Koelewijn
    • Ilja Keizer