De Wilden in Wenen

Cézanne, Maillol, Rodin en Van Dongen baarden honderd jaar geleden opzien met hun avant-gardistische tentoonstelling in Parijs. Met ‘Matisse en de Wilden’ probeert het Albertina-museum in Wenen hetzelfde gevoel op te roepen.

Op 18 oktober 1905, om drie uur ’s middags om precies te zijn, opende het Parijse Grand Palais zijn deuren voor de jaarlijkse Salon d’Automne. Het is nu bijna onvoorstelbaar, maar duizenden mensen stroomden toen naar binnen om de laatste trends op kunstgebied te bekijken. 397 kunstenaars exposeerden er bijna 1.700 werken. Er waren symbolisten bij, neo-impressionisten. Er was onder meer werk te zien van Cézanne, Maillol, Rodin en Van Dongen.

Wat nu al even onvoorstelbaar is, was dat de eregast op het laatst afzegde. Of liever, waaróm hij afzegde. Het ging om de Franse president, die de Salons meestal opende. Hem was ter ore gekomen dat in zaal VII een stelletje ‘fauves’ (wilden) exposeerde, onder wie Henri Matisse en André Derain. Die twee hadden, zei men, lukraak dikke klodders verf op doek gesmeerd. De kleuren waren immens fel en hadden weinig van doen met de werkelijkheid. Ze schilderden de zee rood en de lucht geel. Stukken canvas bleven soms onbedekt. Je zag potloodstrepen.

De opwinding werd vooral veroorzaakt door Matisses portret Femme au Chapeau en landschappen die hij en de veel jongere Derain die zomer in Collioure, aan de Catalaans-Franse kust, hadden geschilderd. Beide schilders probeerden afstand te nemen van conventionele technieken. Na de impressionisten en pointillisten was het publiek aan allerlei technieken gewend. Maar wat Matisse en Derain deden, was niet eerder vertoond. Hun doeken waren eerder pogingen om géén techniek te gebruiken, om haar buitenspel te zetten. Het was alsof je direct in de schoenen van de schilder stond en door zijn (samengeknepen) ogen keek. Je zag grote streken of vlakken kleur, soms met niets ertussen. Dit brak met het realisme, voor het eerst. Ook Maurice de Vlaminck, een luidruchtige autodidact en anarchist die in Noord-Frankrijk werkte, hing er met landschappen die zo vol beweging en kleur zaten dat ze in brand leken te staan. Middenin zaal VII stond een wit, classicistisch standbeeld, voor het contrast. Volgens kunstcriticus Louis Vauxcelles was de zaal net een „kooi wilde beesten”.

De najaarstentoonstelling ‘Matisse en de Wilden’ in het Albertina-museum in Wenen, die vorige week openging, probeert het gevoel op te roepen dat mensen honderd jaar geleden hadden toen ze deze kooi betraden. Daarna volgt ze het ‘fauvisme’, dat als avant-gardebeweging hooguit twee tot drie jaar bestond en vervolgens door het kubisme werd ingehaald (sommigen zeggen dat het niet eens een beweging was, alleen een moment). Het is een imposante tentoonstelling, die toont hoe de Wilden – al bestonden ze nog zo kort – de basis legden voor de moderne schilderkunst. Door de begeleidende tekst tot een minimum te beperken, laat het Albertina de schilderijen het verhaal vertellen. Wie meer wil weten, leest de catalogus maar.

Eerst zie je kort wat er aan de Wilden voorafging: de Notre Dame die Matisse vanuit het raam van zijn Parijse atelier in grove streken schilderde; naakten die hij en Henri Manguin rond 1900 in dezelfde stijl maakten. Dan, in 1905, komt de explosie van kleur. En de vorm breekt uit zijn keurslijf. Eigenlijk duurt deze fase maar een jaar. Daarna dimde Matisse zijn kleuren al en omlijnde hij zijn mensen en objecten alweer. Derain vertrok naar Londen voor een serie stadslandschappen. Matisse was volgens Vauxcelles de Fauve-chef, Derain de Fauve-sous-chef. Daarom is de tentoonstelling opgehangen aan Matisse. Maar correspondentie tussen die twee toont aan dat Derain niet zomaar een volgeling was. Hij suggereerde Matisse dat er „een visie” moest komen: bij een beweging hoorde een wereldbeeld, een manifesto. Dat kwam er niet, maar de samenwerking tussen de twee schilders was een poosje intens. In Wenen hangen sterke portretten die ze van elkaar schilderden.

Al snel voegden de Fauves a la suite Raoul Dufy, Georges Braque en Othon Friesz zich bij Matisse en Derain. Zij werkten vooral aan de Normandische kust en begonnen, geïnspireerd door de chef en sous-chef, met brede halen een strand vol badgasten of boulevard vol billboards op te roepen. Een serie vissersboten, haventjes en landschappen volgde: steeds abstracter en geleidelijk met minder kleur.

Toen kwam Afrika. Matisse reisde naar Algerije en maakte ineens sculpturen die geen lichamen volgden, maar conceptuele vlakken. Kleur verdween, of vrijwel. Hij begon met houtsnijwerk – prachtige naakten, die hij in onvolmaakt zwart-wit op papier afdrukte. Derain deelde deze Afrika-fascinatie. Zijn bed vol primitief houtsnijwerk staat middenin de zaal van het museum dat is gewijd aan deze Afrikaanse invloeden.

De tentoonstelling stopt op het moment dat elke Wilde zijns weegs ging (1907-1908). Maar eerst zijn er nog twee aparte zalen. Eén is gewijd aan Georges Rouault, wiens werk met sinistere onderwereldfiguren qua kleur niet bij de Wilden paste maar de streperige, vlekkerige schildertechniek waarmee het werd geschilderd des te meer. De andere zaal is voor Kees van Dongen, de eerste die elektrisch licht in verf wist te vangen. Zijn Carrousel (draaimolen) en circusportretten vormen een lumineuze afsluiting voor een van de weinige evenementen in de moderne kunst die de naam ‘beweging’ verdient.

Matisse und die Fauves, Albertina-museum, Wenen. T/m 12 januari 2014. Inl: www.albertina.at

    • Caroline de Gruyter