De ongemakken van een koninklijk fonds

Het Oranje Fonds speelt voor Willem-Alexander een belangrijke rol bij het invullen van zijn koningsschap. Met hem en Máxima als boegbeeld kon het uitgroeien tot een gerenommeerd instituut. Maar de innige relatie zorgt ook voor spanning: twijfels over het fonds kunnen de reputatie van het beschermpaar aantasten.

Door onze redacteuren Danielle Pinedo en Kees Versteegh

‘Het enige constante aan een monarchie is dat het altijd in verandering is, altijd mee beweegt met de maatschappij. Anders sta je er buiten, dan ben je niet meer relevant.’

Willem-Alexander stond op de drempel van het koningschap toen hij medio mei werd geïnterviewd door Rick Nieman en Mariëlle Tweebeeke. Hij zei dat hij een „inhoudelijk koningschap” ambieerde. Hij wilde vertegenwoordigen, samenbinden, aanmoedigen. Zijn functie was relevant als hij tussen zijn onderdanen kon staan.

Minderbedeelden een hart onder de riem steken en sociale evenementen bezoeken die extra aandacht verdienen: zo wilde hij zijn koningschap invullen. „Ik wil op allerlei manieren proberen dat samenbindende element in de samenleving te zijn”, zei hij. En één organisatie kon hem daarbij helpen: het Oranje Fonds.

Hij zei het niet met zo veel woorden, maar noemde het fonds wel in antwoord op de vraag hoe hij zijn aandacht over al die Nederlanders – allochtoon en autochtoon – ging verdelen. Het fonds was dé manier om „samenbindend bezig te zijn”. Kort daarna werd bekend dat hij als koning beschermheer bleef van het fonds. Zijn andere erefuncties werden geschrapt.

Hoe belangrijk het fonds voor Willem-Alexander is werd vorig jaar al duidelijk. Toen vertelde hij aan Linda de Mol dat het fonds „in de haarvaten van de Nederlandse samenleving” zit. „En met het Oranje Fonds komen Máxima en ik dus in de haarvaten van de samenleving.”

Een organisatie die zo belangrijk is voor het staatshoofd verdient nader onderzoek. Hoe invloedrijk is het fonds? Waar komt het geld vandaan? En heeft de koninklijke protectie die het fonds geniet ook nadelen? Deze krant probeerde die vragen te beantwoorden door gesprekken met tientallen betrokkenen.

Een ding werd meteen duidelijk: het Oranje Fonds hecht veel belang aan naamsbekendheid. Vorig jaar trok het fonds een miljoen euro uit voor ‘communicatie’. Dure reclamespotjes moesten evenementen als Burendag en NL Doet onder de aandacht van een breed publiek brengen. Met succes: aan vrijwilligersactie NL Doet deden dit jaar 310.000 mensen mee, aan Burendag 1,5 miljoen. Het is de participerende samenleving in optima forma.

Maar het fonds heeft meer ambities. Het wil een maatschappelijke factor van belang worden. Zo sprak het Oranje Fonds onlangs met het ministerie van Justitie af om vier jaar lang een half miljoen euro te reserveren voor de begeleiding van (ex-) gevangenen door vrijwilligers. En het fonds is ook aandeelhouder in vijf stadsherstel-NV’s, die historische panden in binnensteden opknappen.

De kennis van financieel specialisten als Hans Wijers en Joop Wijn was daarbij geen overbodige luxe. Wijers loodste het fonds in 2008 als bestuursvoorzitter door een slecht beursjaar. Waar concurrent VSB Fonds vele honderden miljoenen euro’s verloor, bleef de teller bij het Oranje Fonds steken op 36 miljoen. „We kijken sindsdien veel kritischer naar ons vermogensbeleid”, zegt directeur Ronald van der Giessen. „Zijn de risico’s aanvaardbaar? Tast het onze reputatie niet aan?”

Voor reputatieschade zijn ze bij het Oranje Fonds doodsbenauwd, zeggen ingewijden. Want Willem-Alexander en Máxima mogen dan voor ‘gratis’ media-aandacht zorgen, zij worden er ook op aangekeken als het fonds negatief in het nieuws komt. Van der Giessen wil dat koste wat kost voorkomen. In een recent interview met het blad van huisbankier Triodos zegt hij: „Als er twijfels zouden ontstaan over onze reputatie en onze activiteiten, tast dat ook de reputatie van ons beschermpaar aan. Dat kan niet.”

Majestueus pand

Bij een koninklijk boegbeeld hoort een koninklijk onderkomen. En dus verhuisden de medewerkers van het Oranje Fonds eind 2007 van een ‘verzamelgebouw’ in Bunnik naar de Utrechtse Maliebaan. „We hebben een duo-functie”, zegt hoofd communicatie en fondsenwerving Jonne Boesjes in antwoord op de vraag waarom er een pand van bijna 7 miljoen euro op de balans staat. „Welzijnsorganisaties moeten zich bij ons op hun gemak voelen, maar dat geldt ook voor de directeur van Mees Pierson.” Directeur Van der Giessen noemt het Oranje Fonds „meer fonds dan welzijnsorganisatie”. „Je kunt ons het beste vergelijken met VSB Fonds, Fonds 1818 en het Prins Bernhard Cultuurfonds”, zegt hij.

Navraag bij deze fondsen leert echter dat ze op een aantal punten verschillen. Met uitzondering van het Prins Bernhard Cultuurfonds krijgen ze geen neveninkomsten zoals loterijgelden. Ze huren geen kostbare reclamebureaus in. Hun behuizing is minder riant. Maar misschien wel het belangrijkste verschil: geen van de genoemde private vermogensfondsen vertegenwoordigt zo’n groot publiek belang als het Oranje Fonds met zijn koninklijke protectie.

Ook de salariskosten van Van der Giessen zijn hoger dan die van de meeste andere fondsdirecteuren (zie kader). Ze passeerden vorig jaar de symbolische grens van twee ton, inclusief vergoedingen. De hoge beloning past weliswaar binnen de geldende normen, maar is het niet veel voor een organisatie die ‘sociale cohesie’ nastreeft? In de omgeving van het fonds doet een hardnekkig grapje de ronde: de directeur studeerde bosbouw, omdat de bomen tot in de hemel groeien.

Het Oranje Fonds heeft twee gezichten. En dat kan verwarrend zijn voor de mensen die voor steun aankloppen op de Maliebaan. Ze worden op het verkeerde been gezet omdat ze bij een organisatie die blijf-van-mijn-lijfhuizen in achterstandswijken financiert, geen voormalig woonhuis van een jonkheer met monumentaal trappenhuis verwachten. Daar komt bij dat Willem-Alexander en Máxima tijdens tv-uitzendingen over het Oranje Fonds iets gewoons uitstralen. Ze bezoeken moestuinen en bowlen met daklozen.

„Bij mijn eerste bezoek aan het Oranje Fonds nam ik een collega mee”, vertelt Caroline Sarolea van Al Amal, een stichting die allochtone vrouwen helpt en jarenlang steun kreeg van het fonds. „Zij kwam net bij een gezin vandaan dat amper geld had om de kinderen eten te geven. Nou, die vrouw keek haar ogen uit. ‘Al dat marmer’, zei ze. ‘Gaat dat geld ook hier in zitten?’”

Organisaties als Al Amal benadrukken dat ze hun weldoener dankbaar zijn. Het Oranje Fonds wordt „professioneel” genoemd en „visionair”. Maar zijn elitaire uitstraling staat haaks op de sociale projecten van het fonds. Jonne Boesjes, hoofd communicatie en fondsenwerving bij het Oranje Fonds, kent de kritiek niet. „Mensen vergapen zich vaak aan het pand”, zegt ze. „Maar als ze weggaan zeggen ze ook: ‘Wat een cadeau dat ik hier mocht zijn, en wat zijn jullie aardig’.”

De koninklijke signatuur van het fonds heeft als voordeel dat het toppartners aantrekt, zoals trainingscentrum De Baak, accountantsbureau PWC en adviesbureau McKinsey. McKinsey hielp het fonds bij de ontwikkeling van zijn paradepaardje: het Groeiprogramma. Daarin worden sociale pioniers drie jaar gecoacht door ABN Amro-medewerkers en ontvangen zij maximaal 150.000 euro van het fonds. Zo kunnen zij hun projecten over het land ‘uitrollen’.

Uit een rondgang langs de 35 oud-deelnemers aan het Groeiprogramma blijkt dat ongeveer de helft helemaal zonder het Oranje Fonds kan: geen slechte score in de goede doelensector. Wel geven veel projectleiders aan dat zij het hoofd maar net boven water kunnen houden nu overheden in subsidies snoeien. „En dat kan toch niet de bedoeling zijn van een fonds dat de sociale cohesie wil bevorderen”, zegt Fiene van Loock, die met een ‘maatjesproject’ deelnam aan het Groeiprogramma.

De projectleiders vinden dat McKinsey te veel hamert op groei. „Ze willen het liefste lopende bandwerk”, zegt Van Loock. Anderen vinden dat de nadruk op kwantiteit niet past bij de welzijnswereld. „Daar moet je vooral goed kunnen luisteren”, zegt Anne Heinsbroek, die mensen met een taalachterstand helpt. „Je komt er niet met een sales praatje.” Imro Blom van jongerenorganisatie Mytikas vat het gevaar van de McKinsey-methodiek kernachtig samen: „Vandaag een kroonappel, morgen een integratieprijs, overmorgen failliet.”

Waar behoudzucht het fonds voor financiële missers behoedde, speelt het de organisatie parten in het contact met sociale pioniers. Die worden zó goed klaargestoomd tijdens het Groeiprogramma, dat zij na drie jaar wat in de melk te brokkelen willen hebben. En dat lijkt het fonds juist als een risico te beschouwen.

Toen vorig jaar tijdens de jubileumviering van het fonds veel geld werd neergeteld voor zaalhuur en catering, vroegen deelnemers van het Groeiprogramma zich af waarom zij niet waren ingehuurd om de dag te verzorgen. „Dan maak je niet alleen gebruik van hun potentie en creativiteit, je brengt ze ook tot samenwerking, vergroot hun zelfvertrouwen en kan ze betalen”, zegt Tom Schram van Diversity Joy, een stichting die trainingen ontwikkelt om ‘mensen op een diepgaande en positieve manier te verbinden’.

Ook verbaasden sommige deelnemers van het Groeiprogramma zich erover dat het fonds niet stond te springen toen zij een netwerk wilden oprichten om hun ervaringen te delen: het Social Powerhouse. „Want het netwerk vergroot de kans dat deelnemers op termijn financieel onafhankelijk worden”, zegt mede-initiatiefnemer Fiene van Loock. „Waarom zouden ze hun naam niet aan ons willen verbinden?”

Het is typerend voor de manier waarop het Oranje Fonds functioneert, zegt Schram. „Ze zouden de moed moeten hebben de creativiteit aan te boren van de partijen die ze ondersteunen, ten bate van zichzelf.”

Tegenspraak

Een fonds dat geen harde kritiek kan gebruiken, zal niet snel op zoek gaan naar kritiek. Tegelijk wordt van zo’n gerenommeerd instituut verwacht dat het serieuze tegenspraak organiseert. Maar anders dan het VSB Fonds en het Prins Bernard Cultuurfonds heeft het Oranje Fonds geen raad van toezicht, het model dat toezichthouder CBF voor goede doelenorganisaties aanbeveelt. Wel zou het bestuur van het fonds veel bevoegdheden hebben om het beleid van de directie te toetsen. „Het CBF heeft ons model akkoord bevonden”, zegt hoofd fondsenwerving Boesjes.

Andere fondsen, zoals Fonds 1818, hebben een gedetailleerd evaluatieprogramma met contracten, rapportcijfers, herhaalde evaluatierondes en tenders waarop externe deskundigen kunnen inschrijven.

Zo degelijk opereert het Oranje Fonds (nog) niet. De afgelopen jaren evalueerde een instituut van de Groningse universiteit weliswaar diverse belangrijke programma’s van het fonds en zette het een evaluatiemonitor op. Maar er sloop iets vriendschappelijks in de relatie met het fonds. In het jaarverslag 2009 van de Universiteit van Groningen valt te lezen dat het Oranje Fonds ‘een donatie’ van 450.000 euro gaf aan het instituut. Achteraf een onjuiste term, zeggen beide partijen. „Er is namelijk altijd sprake geweest van een tegenprestatie voor de ontvangen bedragen”, aldus een universitair woordvoerder.

Op verzoek van de Nationale Postcode Loterij, de grootste geldschieter van het Oranje Fonds, voerde het Verwey Jonker Instituut in 2010 een evaluatie van het fonds uit. Die werd nooit openbaar gemaakt, maar loterij en fonds waren bereid een exemplaar aan de krant toe te sturen. Wat daarin vooral opvalt: de omzichtige toon. De band van het fonds met het koningspaar wordt niet genoemd. Het krachtenveld waarin het fonds opereert staat centraal, niet een kritische beoordeling van projecten.

Op papier gaan de discussies over werkwijze en effectiviteit van het fonds aan Máxima en Willem-Alexander voorbij. Het beschermpaar is uithangbord, en mag zich niet met de selectie van projecten en het beleid bemoeien. Maar hun adviseur, Pien Zaaijer, schuift wel aan bij bestuursvergaderingen. En ingewijden vertellen dat de koningin soms programma’s doordrukt. Niet door eisen te stellen, maar door haar voorkeuren kenbaar te maken. Zo zou het programma ‘Kansen voor jongeren’, dat drop-outs een nieuwe kans op school biedt, uit haar koker komen. En op de website van ‘Kinderen maken muziek’ wordt zelfs vermeld dat het project in 2011 „op voorspraak van prinses Máxima” is ontstaan. Het feit dat de huidige koningin lid was van de commissie Participatie van Vrouwen uit Etnische Minderheidsgroepen (PaVEM) heeft ongetwijfeld meegespeeld bij de beslissing van het Oranje Fonds om een gelijknamige leerstoel aan de Vrije Universiteit te financieren.

Bij het Oranje Fonds spreken ze over „korte lijntjes”. Zo is bestuursvoorzitter Joop Wijn – tevens ABN Amro-bestuurder – lid van de raad van commissarissen van Stadsherstel Amsterdam, waaraan het Oranje Fonds zes miljoen euro leende en waarvan het 1 miljoen aan aandelen kocht. Van der Giessen is penningmeester van de stichting die de PaVEM-leerstoel heeft ingesteld. Hij is ook lid van de raad van commissarissen van Boei, de Nationale Maatschappij tot Behoud, Ontwikkeling en Exploitatie van Industrieel Erfgoed. Boei kreeg een lening van 750.000 euro van het Oranje Fonds. Deze combinaties van functies kunnen de indruk wekken van elites die elkaar de bal toespelen; riskant voor een fonds dat hecht aan een vlekkeloze reputatie.

Knellende band

Het Oranje Fonds ontwikkelde zich de afgelopen jaren tot een nuttig instrument voor het – toen nog – komend koningspaar. Het biedt hun de gelegenheid allerlei facetten van de samenleving te leren kennen, zoals Willem-Alexander al tegen Linda de Mol zei. Omgekeerd profiteert het fonds van de koninklijke bescherming. De samenwerking helpt het fonds bij de fondsenwerving en biedt haar duizenden vrijwilligers een mooi extraatje.

Maar de innige band begint ook te knellen. De uiterlijke kenmerken van het vermogensfonds – duur pand, hoge salarissen – verhouden zich slecht tot de sociale missie van het koningschap. De koninklijke presentie bij projecten, vooral die van Máxima, zuigt media-aandacht weg van de sociale pioniers die een serieuze inbreng willen hebben. En zonder meer tegenspraak kan het fonds reputatieschade oplopen.

Sommige kenners van het Oranje Fonds werpen daarom voorzichtig de vraag op of het fonds nog wel bij koninklijke protectie is gebaat. Tom Schram van Diversity Joy, bijvoorbeeld, zegt: „Als het ambassadeurschap van koning en koningin zorgt voor een verkeerde of behoudende koers, moet je kijken of dat ambassadeurschap nog wel werkt.”

    • Danielle Pinedo
    • Kees Versteegh