‘Burgerlijke schemering’ komt uit het Duits en dateert al uit 1774

In de wetenschapsbijlage van 12/13 oktober (‘Alledaagse Wetenschap’) wordt het vermoeden uitgesproken dat de term burgerlijke schemering uit het Engelse civil twilight is afgeleid en dat deze later werd ingevoerd dan de nautische schemering.

De eerste verwijzing naar het gebruik van de burgerlijke schemering komt echter niet uit het Engels maar uit het Duits en dateert al uit 1774. In dat jaar publiceerde de Duitse sterrenkundige Johann Elert Bode (1747-1826) in zijn Astronomisches Jahrbuch oder Ephemeriden für das Jahr 1776 voor het eerst een tabel met tijdstippen voor de gemeinen of bürgerlichen Dämmerung voor Berlijn. Bode definieerde dit als het moment wanneer de schemeringsboog (de grens van de aardschaduw op de bovenste luchtlagen) door het zenit gaat en het noodzakelijk wordt om kunstlicht te ontsteken voor het verrichten van binnenshuis activiteiten. Bode hanteerde hiervoor een zonsdiepte van 6° 23½' onder de horizon, ontleend uit de Photometria, sive de mensura et gradibus luminis, colorum et umbrae (1760) van Johann Heinrich Lambert (1728-1777) die deze waarde uit een reeks waarnemingen in 1759 door de Augsburgse instrumentmaker Georg Friedrich Brander (1713-1783) had afgeleid. Deze waarde is echter variabel en in latere sterrenkundige almanakken werd hij gemakshalve afgerond tot 6½° en uiteindelijk tot 6°.

Het gebruik van de nautische schemering, wanneer een zonsdiepte van 12° onder de horizon wordt bereikt, is veel recenter. Het werd pas in 1936 ingevoerd door Leslie John Comrie (1893-1950), hoofd van de Engelse Nautical Almanac Office, om zo het interval tussen de burgerlijke en de astronomische schemering (als de zonsdiepte 18° onder de horizon bedraagt) in twee ongeveer gelijke stukken te verdelen. Vanaf 1937 worden tabellen voor de bepaling van de tijdstippen van de nautische schemering opgegeven in de jaarlijkse uitgaven van The Nautical Almanac and Astronomical Ephemeris en de beknoptere versie ten behoeve van stuurlieden.

Dr. Rob H. van Gent

    • Dr. Rob H. van Gent