34 procedures voor één badstoeltje

Een Haarlems advocatenkantoor vertegenwoordigt mensen die zelf geen geld hebben voor rechtshulp. Maar bezuinigingen maken dat onmogelijk. „U kunt zeggen dat een schending van de waardigheid van een kwetsbaar kind geen zwaarwegend belang is. Daar denk ik anders over.”

De Surinaamse Monique Snoo kwam na haar komst naar Nederland met haar kinderen alleen te staan. Fischer Advocaten procedeerde voor huisvesting en uitkering. De gemeente Schiedam betaalt. Het Irakese gezin uit de reportage wilde niet op de foto. Foto Roger Cremers

Gewone kinderen van een jaar of drie zouden de rechtszaal op hun kop hebben gezet, als ze er twee uur moesten stilzitten. Het Irakese meisje Nezjin niet. Ze ligt de hele zitting in de rechtbank in Den Haag te slapen in haar buggy, waar ze eigenlijk al uit is gegroeid.

Nezjin is de jongste uit een Irakees gezin van zeven. Ze is ernstig gehandicapt, kan niet zelfstandig lopen of rechtop zitten. Ze woont met haar ouders, zussen en broers in het asielzoekerscentrum in Katwijk, in afwachting van de procedure rond hun verblijfsvergunning.

Advocaten Else Cerezo en Pim Fischer bepleiten in het kort geding dat het appartement waar het gezin woont, rolstoeltoegankelijk moet worden. Het asielzoekerscentrum heeft het gezin al laten verhuizen naar de begane grond, met een betere badkamer. Het speciale badstoeltje voor gehandicapte kinderen – net als de buggy bij elkaar geprocedeerd – past daar wel in. Maar het toilet is nog steeds te klein, daar kan Nezjin dus geen gebruik van maken.

Bovendien is door de verhuizing een oud probleem terug. Nezjin had een apart slaapkamertje in het asielzoekerscentrum gekregen – ook dankzij een procedure. Maar nu hebben de zeven mensen samen nog maar twee grote kamers over. Nezjin gilt ’s nachts de boel bij elkaar en houdt de andere kinderen uit hun slaap. Die moeten naar school overdag. Dat werkt dus niet, betogen de advocaten. Dat is toch geen waardig, normaal leven voor een gezin?

De rechter is niet onder de indruk. De staat biedt onderdak en medische zorg, dat is genoeg, oordeelt hij. Fischer en Cezero hadden beter moeten onderbouwen waarom wél sprake zou zijn van een humanitaire noodsituatie voor het gezin. Achteraf moet Pim Fischer om de uitspraak glimlachen. „Deze valt in de categorie, de rechter wil met ons mee of niet.” Hij noemt er meteen bij op welke gronden hij verder zal gaan procederen. Want dat de Irakese familie, zolang zij in Nederland is, recht heeft op een normaal en menswaardig onderkomen, daar twijfelt hij niet aan.

Sociaal-economische mensenrechten

Fischer Advocaten voert rechtszaken voor de kwetsbaarste mensen in Nederland. Voor uitgeprocedeerde asielzoekers en mensen die überhaupt geen documenten hebben, zoals Roma. Nederlanders in financiële problemen kunnen er ook terecht. Vaak helpt het bureau bijvoorbeeld gezinnen waarvan de kinderen Nederlands zijn, en één of beide ouders illegaal.

Fischer doet geen asielprocedures voor verblijfsvergunningen, maar probeert via de rechter basale levensbehoeften te regelen. De sociaal-economische mensenrechten, zoals hij zijn werkterrein samenvat. Tegenpartij is vrijwel altijd de overheid. Die moet volgens Fischer over de brug komen met toegang tot zorg of onderwijs, of geld voor kleren, eten en de huur. Het recht op een menswaardig bestaan ligt immers vast in meerdere internationale verdragen die Nederland heeft ondertekend, zo redeneert Fischer Advocaten. Daar horen zaken als onderdak en voedsel bij.

Het kantoor doet ruim duizend zaken per jaar. Dééd ruim duizend zaken, zal dat in 2015 moeten zijn. Want, zegt Pim Fischer, met de huidige bezuinigingen op de rechtsbijstand redt zijn kantoor in Haarlem het niet. Hij heeft zich voorgenomen de komende twee jaar „nog fanatiek en optimistisch mijn werk te blijven doen”. Maar zes advocaten en vijf man ondersteuning in dienst houden, dat houdt hij met deze optelsom van bezuinigingen niet vol.

Fischer Advocaten draait op basis van subsidie van de Raad voor de Rechtsbijstand. Die constructie kan financieel uit doordat het kantoor honderden rechtszaken per jaar aanneemt. Fischers mensen zijn gespecialiseerd in het internationale rechtsgebied en kunnen daardoor een hoge productie draaien. De kosten die het kantoor maakt zijn relatief laag, en een hoog advocatensalaris zit er ook niet in.

Terug naar de bezuinigingen. De eigen bijdrage voor rechtzoekenden is per 1 oktober met 66 euro gestegen, van 127 euro naar 193 euro per zaak. Dat is per procedure 66 euro extra die rechtstreeks van de omzet van Fischer af gaat. Zijn cliënten kunnen überhaupt geen eigen bijdrage betalen. „Ze hebben vaak niet meer dan 40 euro per week te besteden. Daar redden jij en ik het niet mee. Ik schrijf jaarlijks 12 procent af aan eigen bijdrages en griffierechten voor onze cliënten”, zegt Fischer. Niet dat hij van hen verwácht dat ze die kosten betalen; die 12 procent horen gewoon bij de vaste uitgaven van het kantoor, daar doet bij hen niemand moeilijk over.

Ook de griffierechten, de kosten om een zaak te kunnen beginnen, betaalt Fischer voor zijn cliënten. Die kosten gaan per 1 januari aanstaande omhoog. Nog onduidelijk is hoe hoog de stijging zal zijn, en de kosten verschillen ook weer per type zaak. Maar het ministerie spreekt van 15 procent. Dat is weer 24 euro bovenop de 160 euro die bijvoorbeeld een zaak bij de bestuursrechter nu kost.

Hoeveel krijgt Fischer dan van de overheid? De gemiddelde vergoeding van de Raad ligt op 755 euro per zaak, dat staat voor acht uur werk. Landsadvocaten krijgen niet per zaak, maar per uur betaald. Ter vergelijking: de staat betaalt in 2013 voor een landsadvocaat tussen de 137 en 348 euro per uur, afhankelijk van de werkervaring van de advocaat. Dat is tussen de 1.096 en 2.784 euro voor acht uur werk.

Die „inequality of arms” dreigt nu te groot te worden, zegt Fischer. Want er is nog een bezuiniging waar hij last van krijgt: zaken die de rechter zonder zitting afdoet, leveren voortaan de helft minder geld op. Die zaken kosten minder tijd en dus kan de vergoeding omlaag, redeneert staatssecretaris Teeven. Die argumentatie klopt volgens Fischer niet: „Ook voordat er een zitting plaatsvindt, ben ik al uren kwijt aan die zaken. Daarvan wordt een groot deel hoe dan ook niet vergoed.”

Fischer heeft geprobeerd uit te rekenen hoeveel procent zijn omzet verder zal dalen. Alleen is dat moeilijk te zeggen, omdat het kabinet ook de zogeheten anticumulatieregeling heeft afgeschaft. Vóór 1 oktober was regel dat mensen die in korte tijd vaker rechtshulp nodig hebben, voor die tweede of derde keer minder eigen bijdrage hoeven te betalen. Zij kregen de helft korting. Dat stopt, want dit kabinet vindt het „niet onredelijk dat degenen die meer gebruik maken van de juridische dienstverlening ook meer betalen”.

Ironisch is wel dat de oorzaak van die procedurestapeling juist in de harde opstelling van de overheid ligt. Het komt bijna nooit voor dat Pim Fischer aan één zaak genoeg heeft voor een cliënt. „Het is altijd nee. Altijd dóórprocederen.” Gemeenten wijzen in rechtszaken naar elkaar, of naar het asielzoekerscentrum. Als de rechter daarin mee gaat, houdt dat een nieuwe procedure in. Zelfde onderwerp, ander ‘loket’. „Absurd. Daar hóéven gemeenten natuurlijk niet in mee te gaan”, zegt Fischer.

Kijk weer naar de kleine Nezjin. In de zaak rond het badstoeltje, nodig om Nezjin te kunnen wassen en douchen, voerde Fischer 34 procedures tegen allerlei overheidsinstellingen. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers achtte zichzelf niet aansprakelijk. Net als de gemeenten Katwijk en Leiden. Uiteindelijk kwam het stoeltje er na overleg met toenmalig minister Leers. Kosten 665 euro. Maar welke overheidslaag nou verantwoordelijk was – die vraag ligt nog steeds bij de rechter.

Hoe potsierlijk kan rechtspraak worden, zo veel procederen over een badstoeltje? Fischer ziet daar juist het mooie van in. Het proces, het juridische gevecht, dat vindt hij prachtig. Net als zijn kantoorgenoten. Hun ogen gaan glimmen van wetsartikelen, jurisprudentie en de Raad van State die heel soms éindelijk een stapje in hun richting zet. En, zegt Fischer: alle partijen weten dat het ondertussen om veel méér dan een badstoel gaat. Want krijg je die stoel, dan moet de staat ook, hij noemt maar iets, een toilet regelen. Drempelvrije kamers. En zo verder.

Sinds afgelopen zomer heeft Fischer er een probleem van principiëler aard bij. Hij is in conflict met de Raad voor de Rechtsbijstand, die de vergoedingen voor de procedures uitbetaalt. Die heeft er volgens hem geen boodschap aan dat zijn kantoor volledig op subsidie draait. In juli kreeg Fischer een stapel van 53 brieven toegestuurd, met in één klap afwijzingen voor een maand aan vergoedingen.

De aanvragen voor die vergoedingen waren volgens de Raad „van elke rechtsgrond ontbloot”. De Raad vond dat iemand die hier niet rechtmatig verblijft, geen aanspraak kan maken op uitkeringen en voorzieningen van de staat. Daarvan bewijst Pim Fischer nu juist al jaren het tegendeel: ook uitgeprocedeerden kunnen recht hebben op opvang of bijstand van de Nederlandse overheid.

Bijstand als basisrecht

Hij schreef 53 bezwaarschriften, waar nooit een officiële reactie op kwam. Vlak voordat Nieuwsuur en NRC Handelsblad tot publicatie over de kwestie zouden overgaan, kwam via de advocaat die hij inmiddels had ingeschakeld het bericht dat toch uitbetaald zou worden. Vorige week kwam de regiomanager van de Raad op Fischers kantoor in Haarlem, om „de lucht te klaren”, in haar woorden.

Maar Fischer schreef afgelopen week een brief over dat gesprek aan de Orde van Advocaten. Het gesprek verliep anders dan hij had gedacht, of gehoopt. Hij kwam erachter dat de Raad nog steeds problemen ziet met de toevoegwaardigheid van rechtszaken voor ‘ongedocumenteerden’. Terwijl illegalen volgens de wet wél recht hebben op rechtsbijstand – het is een basisrecht, net als noodzakelijke medische zorg. „De wijze waarop de Raad kennelijk toetst, betekent dat het dreigement aan het adres van mijn ongedocumenteerde cliënten niet van tafel is.”

Voor de zaak van het badstoeltje kreeg Fischer aanvankelijk ook geen subsidie. De Raad vond de advocaatkosten niet opwegen tegen het belang van cliënt. Fischer ging natuurlijk in bezwaar. Nu krijgt hij het geld wel. Hij schreef: „Het gaat over een ernstig gehandicapt kind, dat gevangen wordt gehouden in een omgeving waar de badgelegenheid zo klein is, dat zij niet gewassen kan worden. U kunt zeggen dat een schending van de menselijke waardigheid van een kwetsbaar kind geen zwaarwegend belang is. Daar denk ik anders over.”

    • Annemarie Kas