Wie ging híér nou vrijwillig wonen?

Zondag is Amsterdam jarig. De stad werd voor het eerst genoemd in een document van 27 oktober 1275: het tolprivilege van graaf Floris V; zo kwetsbaar dat het maar eens per jaar te zien is. Een omslagpunt voor de stad die maar groeide en groeide, ondanks die zo onhandige natte ondergrond – waardoor ze al eeuwenlang wegzakt.

Hoe Amsterdam er in de 13de eeuw uitzag is niet in detail bekend. Dat de periode tot de verbeelding spreekt blijkt onder meer uit deze reconstructiekaart uit de 17de eeuw. Amsterdam beleeft dan zijn Gouden Eeuw en kijkt als machtige stad terug op zijn prilste begin. De kaart, gemaakt door Otto Barentsz. Smient en Jodocus Smient in 1662/1663, veronderstelt de situatie van de stad in 1220. De oppervlakte van de stad was toen echter kleiner en de bebouwing niet zo intensief als aangegeven. Bovendien moesten vrijwel alle grote gebouwen die in de genummerde lijst staan aangegeven nog gebouwd worden. Zo stond op de plaats van de Oude Kerk slechts een kleine houten kapel.

De Amsterdamse Nieuwendijk is een straat vol seksshops en smartshops. In de bocht van de straat, bij slijter HP de Vreng en Zonen, turen toeristen in de etalage naar absint en cannabiswodka. Grote kans dat ze niet beseffen dat ze op historische grond staan – op de fundamenten van Middeleeuws Amsterdam.

Even verderop, aan de Vijzelstraat, ligt een tastbaarder stukje van het oude Amsterdam. Het is de schat van de collectie van het Stadsarchief in De Bazel. In het depot ruik je het verleden, eeuwenoud stof, als een zolder. Het geluid van de tram is er niet te horen, alleen de zachte brom van de airco. Precies 18,1 graden moet het er zijn. Honderdduizenden documenten, vaak een paar honderd jaar oud, liggen hier opgeslagen.

Een extra slot gaat open. In een grote doos zit het kleine stukje 13de-eeuwse geschiedenis. Een vergeeld geitenvelletje, met een priegelig Middeleeuws handschrift. Verbleekte inkt. Aan de onderkant hangt een zegel, dat de tijd niet helemaal ongeschonden is doorgekomen. Dit is het dan, het pronkstuk van Amsterdam. Een juridisch documentje, een tolprivilege dat op 27 oktober 1275 werd uitgegeven door Floris V, graaf van Holland. Het is zo oud en kwetsbaar dat het in het donker bewaard wordt, achter sloten en branddeuren.

Op twee dagen in het jaar na; tijdens de ‘verjaardag’ van Amsterdam. Dit weekend is het 738 jaar dat het tolprivilege werd uitgegeven. Daarom wordt het uit het depot opgediept en tentoongesteld. Met eigen ogen is het te zien, het woord dat het privilege zo belangrijk maakt: Amestelledamme. Amsterdam, dus. Het is de eerste keer in de geschiedenis dat de naam van Amsterdam in een document opduikt. Een document waarmee Floris V de Amsterdammers vrijstelling geeft voor het betalen van tol op zijn gebied. Hij staat afgebeeld op de zegel, te paard.

De dag van de uitgifte van het tolprivilege wordt wel de verjaardag van Amsterdam genoemd. Amsterdam is weliswaar wat ouder, zeggen Erik Schmitz van het Stadsarchief en archeoloog Ranjith Jayasena van Bureau Monumenten & Archeologie. Maar het is wel een omslagpunt in de geschiedenis. Jayasena: „De nederzetting Amsterdam bestaat sinds het einde van de 12de eeuw, weten we uit archeologische vondsten. Al wijzen vondsten bij de aanleg van de Noord/Zuidlijn uit dat er in prehistorische tijden, circa 2500 voor Christus, ook al eens bewoning was geweest.” Rond 1275 gaat de stad een nieuwe fase in. „Vanaf dan wordt Amsterdam steeds groter en belangrijker.” Want Amsterdammers kunnen het zich misschien niet zo goed voorstellen, maar de stad is – relatief gezien – niet eens zo oud. Utrecht bijvoorbeeld gaat een stuk verder terug en is rond 1275 ongeveer tien keer zo groot als Amsterdam. Daar huisde bovendien de bisschop die toen ook de baas was Amsterdam. De jonge nederzetting Amsterdam heeft op dat moment zo’n duizend inwoners.

De dam in de Amstel, die zijn naam leent aan de stad, is dan net gebouwd – inderdaad, op de Dam. Aan twee kanten wonen er mensen, die allemaal op hun eigen manier probeerden geld te verdienen en droge voeten te houden. Op de Nieuwendijk woonden de vroege Amsterdammers op terpen, kleine heuveltjes die beschermden tegen al te hoog water. Aan de Warmoesstraat was een langgerekte terp, een soort dijk, gebouwd. Toen archeologen in 1979 de kans kregen om delen van de Nieuwendijk op te graven, ontdekten ze diep onder de grond wandjes van vlechtwerk. Die waren heel gaaf gebleven. „De wilgentenen kon je nog zien”, zegt Jayasena. De natte bodem had de zevenhonderd jaar oude wanden perfect geconserveerd. En de archeologen vonden een grote haard van kloostermoppen. Daar zat in de 13de eeuw dus een smid, concludeerden ze. Daar kon je terecht voor hooivorken, kandelaars, of trippen: overschoenen van ijzer met een leren bandje die de Amsterdammers droegen als de straten wat te modderig waren. Naast de smid zat een wever en een schoenmaker, weten we uit archeologische vondsten. Verderop zaten leerlooiers. Amsterdam, hoewel bescheiden in omvang, was dus geen primitief vissersdorpje, zoals lange tijd werd gedacht. Het was een bedrijvige nederzetting.

Maar de ligging van de stad was dan ook heel gunstig, zegt Schmitz. „Amsterdam ligt aan een uitmonding van de Amstel in het IJ. Het IJ staat in verbinding met de Zuiderzee en is de weg richting de Noordzee. Het is dus echt een strategische plek. Ideaal voor de handelsstroom met Noord-Duitse steden en Vlaanderen; de verklaring voor de opkomst van Amsterdam.” Ook worden er in de 13de eeuw waterwegen gegraven in Holland, door wat nu het Groene Hart wordt genoemd. Die lopen langs steden als Haarlem en Delft. „Het was daar prettiger varen dan door de Noordzee”, zegt Schmitz, „want op de Noordzee kon het behoorlijk spoken.”

Over de weg kwam het grootste gedeelte van de handel niet. Wegen zijn onverhard, en met een paard en wagen vol met goederen wil je niet in de modder vast komen te zitten. Schmitz: „Van mei tot oktober gaat het nog wel, maar daarna is het voor vervoer over de weg eigenlijk te nat. Op veel plekken is dat zelfs tot in de 19de eeuw zo.”

Tol

De waterwegen waren in de 13de eeuw dus het snelwegnetwerk van het land. En daar viel geld aan te verdienen. Graaf Floris V vraagt net als veel andere machthebbers tol aan passerende schippers. Zo’n toeslag kon oplopen tot 5 procent van de waarde van de lading. De ambtenaren van de graaf hielden de tolwateren in de gaten; ze kwamen aan boord en controleerden de handelswaar.

Maar voor Amsterdamse schippers kwam hier na 1275 een eind aan. Zij hadden nu het tolprivilege. Gunstig, zegt Schmitz. „Zo’n tol komt bovenop de prijs van je handelswaar, daar hoefden de Amsterdamse handelaren zich dus niet meer druk over te maken.” Een ander voordeel was dat schippers met het tolprivilege sneller waren. „Ze hoefden niet door de ‘douane’ heen, maar konden een documentje laten zien waarop stond dat zij niets hoefden te betalen.” Niemand van die schippers had natuurlijk het origineel bij zich, want op het echte tolprivilege waren de Amsterdammers heel zuinig.

De stad verandert na de invoering van het tolprivilege. „Je ziet dat er in de periode na het privilege, vanaf 1275 tot 1350, ontzettend veel gebeurt in de stad. De bevolking verdubbelt van circa duizend tot tweeduizend mensen en er wordt heel veel land uitgebreid.” In het begin van de 13de eeuw liep de Amstel nog van de Nieuwendijk tot de Warmoesstraat. Het Rokin, de Beurs van Berlage en de Bijenkorf – het was allemaal water toen. Rond 1350, weten we uit opgravingen en historische bronnen, is de Amstel misschien net iets breder dan hij nu is, maar hij is al behoorlijk versmald. „Denk aan het Damrak vanaf het Centraal Station, waar de rondvaartboten nu liggen. Het enige deel dat er nog later bij kwam, wat aangeplempt is, is het stuk waar nu de trams rijden. Op het moment dat het tol-privilege uitgegeven werd, 75 jaar eerder dus, strekte het water zich nog uit tot aan de Nieuwendijk.”

Aanplempen, verzakken, ophogen. Kanalen, grachten, dammen. Het is wel duidelijk dat het verhaal van Amsterdam altijd een verhaal van water is. Jayasena: „Van begin af aan is de stad opgehoogd. Het veen waar de stad op gebouwd is ontwaterde.” Het volume nam af, en het werd in elkaar gedrukt door het gewicht van de ophogingslagen. „Als je wel eens bij een opgravingspunt staat en je kijkt meters de diepte in en je ziet archeologen zitten op het niveau van 1200, dan is het eerste wat bij je opkomt: goh, woonden die mensen toen zo diep dan? Dat is natuurlijk niet zo. Voor een deel is Amsterdam inderdaad opgehoogd en dus omhoog gekomen. Maar de huizen moeten toen ook iets boven NAP gelegen hebben, dus de stad is voornamelijk weggezakt.” Alles waar ze niets meer mee konden, gebruikten de Amsterdammers om zo’n terp op te hogen. Mensen leefden dus eigenlijk op hun eigen afval. Dat komt archeologen helemaal niet slecht uit, want wat je weggooit zegt natuurlijk veel over hoe je leeft.

Wie gaat er nou vrijwillig wonen op een natte ondergrond, die constant wegzakt en opgehoogd moet worden? Een belangrijke reden was natuurlijk de gunstige ligging, langs de verschillende handige waterwegen. Maar dat is niet de enige reden. Schmitz: „Vanaf de 11de eeuw vestigen mensen zich in deze streek op het veen. Mensen zoeken er vrijheid.” Die vrijheid is er minder op de ‘zandgronden’, zoals de duinstreken en wat we nu Het Gooi noemen. Die gebieden werden al in de Vroege Middeleeuwen bewoond en daar hadden de machthebbers veel meer invloed. „Bewoners van die gebieden hebben daar nog allerlei verplichtingen aan grondbezitters, al zijn er steeds minder echte horigen.” Boeren trokken naar het veen om wat meer hun eigen gang te kunnen gaan. Schmitz: „Dat is de grote aantrekkingskracht. Want verder is het enorm ploeteren.”

Oude Kerk

Waar is dat belangrijke document al die tijd eigenlijk bewaard gebleven? Waarschijnlijk bewaakte een belangrijke Amsterdammer het document in het begin thuis. Daarna vindt het tolprivilege een vaste plek in de Oude Kerk, de oudste nog bestaande kerk van Amsterdam, nu midden tussen de rode ramen op de Wallen. In 1306 werd de houten kapel vervangen door een grote kerk van steen. Heel bijzonder toen. Later, kort na 1500, werd er een aparte ruimte gebouwd in de Oude Kerk voor belangrijke documenten zoals het tolprivilege: de IJzeren Kapel. Schmitz: „Daarin kwam een speciale kast, de charterkast.” Een soort archiefkast eigenlijk, met allemaal laatjes. De charterkast in inmiddels verhuisd naar de Schatkamer van het Stadsarchief, de ruimte waar nu tentoonstellingen staan.

Zo heel af en toe pakten de Amsterdammers het tolprivilege er in de loop van de tijd nog eens bij, om te bestuderen wat er ook weer stond. Een heel gedoe, legt Jayasena uit. „De charterkast had drie sloten. En de kapel had ook weer verschillende deuren en sloten.” Die sleutels lagen dan bij de verschillende ‘burgemeesters’, functionarissen die de stad toen had. Want één man die het voor het zeggen had, dat leek niemand een goed idee, die zou alle macht maar naar zich toetrekken. „Dus er moesten dan minimaal twee of drie machthebbers bij zijn. In de praktijk kwam dat misschien één of twee keer per eeuw voor.”

Die frequentie is tegenwoordig dus heel wat opgeschroefd: één keer per jaar mag het privilege nu het depot uit. De bezoekers die naar het document komen kijken hebben veel vragen, merken ze hij het Stadsarchief. Misschien wel het meest gesteld: hoe weet je dat het echt is. Niet eens zo’n rare vraag, vinden Schmitz en Jayasena. Schmitz doet een poging: „Kijk, je weet dat tekst is opgenomen in een privilegeboek uit het begin van de 15de eeuw. Daarin staat ook een vertaling in het Middelnederlands. Dus het bestaan van het privilege kan je dan al aantonen. En het handschrift blijkt na onderzoek te koppelen aan een klerk van Floris.” Want denk niet dat de graaf het tolprivilege zelf heeft geschreven: we weten niet eens zeker of hij wel kon schrijven. En verder klopt het ook allemaal, zeggen de mannen. Het perkament, het zegel. „Maar ja, voor natuurwetenschappelijk onderzoek zou je eigenlijk een keer wat van de inkt moeten afkrabben”, zegt Schmitz. „Of een stukje perkament afknippen.” Maar heel serieus meent hij dat ook weer niet.

    • Geertje Tuenter