Vibrator voor de geest

Net als W.F. Hermans laat Grunberg in zijn nieuwe bundel zien dat hij originele verhalen kan schrijven, waarin de actualiteit nooit ver weg is.

Arnon Grunberg, 2012 Vincent Mentzel

Arnon Grunbergs werk zit vol met personages die door de werkelijkheid in de steek zijn gelaten. Dat is al het geval vanaf zijn debuut Blauwe maandagen (1994) en sindsdien is het er eigenlijk alleen maar erger op geworden – voor de personages dan. Waar eerst nog een poging werd ondernomen om liefde te vinden, is die in Tirza (2006) teruggebracht tot een poging om de liefde te controleren en in Huid en haar (2010) is er niets anders meer over dan de economie van de liefde. Het eindresultaat is dat de wereld weliswaar dankzij seks bevolkt wordt, maar dat diezelfde seksualiteit de wereld vrijwel onbewoonbaar maakt.

Seks heeft niets met liefde te maken, zo blijkt ook uit de deze week verschenen verhalenbundel Apocalyps. Alle thema’s uit Grunbergs vroegere werk komen er in terug – soms zelfs tot in detail, zoals een aanslag in het Amsterdamse bordeel Yab Yum waarvan ook al in De asielzoeker (2003) sprake was. In zowel de roman als het verhaal is het de hoofdpersoon die een ander aanzet tot het plegen van een aanslag. In het verhaal, ‘De kinderen van Yab Yum’, weet het hoofdfiguur zeker dat de cultuur ziek is, en daarom hard toe aan een chemokuur.

Is het erg dat Grunberg altijd uitgaat van de illusieloze mens en elke keer personages neerzet die de medemens ertoe verleiden om alle hoop op te geven? Om de beest in de mens te tonen die ingetoomd moet worden? Of, zoals hij het in Gstaad 95-98 stelt: beschaving moet je bewaken: als je even niet oplet, is die verdwenen.

Nee, dat is niet erg. Er is in Nederland maar één auteur die dat nog beter wist te verwoorden en dat is W.F. Hermans, maar Grunberg nadert hem steeds dichter.

Wat Grunberg nog niet echt had laten zien, is dat hij net als Hermans uitstekende en originele verhalenbundels bij elkaar kan schrijven. Weliswaar verscheen in 2001 Amuse Gueule, maar daaraan was vooral af telezen dat het een verzameling vroege Grunbergverhalen was. Apocalyps bevat verhalen die Grunberg tussen 2004 en 2012 schreef voor literaire tijdschriften als De Gids en Hollands Maandblad, maar ook voor opinieweekbladen en kranten.

Bijna allemaal hebben ze een zichtbaar verband met de actualiteit. Zo herkennen we het paranoïde type De Roy van Zuydewijn in het personage dat ervan overtuigd is dat er een camera in zijn anus is geplant, zodat hij overal gecontroleerd kan worden.

Op de vraag wat je ziet wanneer er een camera in je gat zit, weet hij alleen maar uit te brengen dat zelfs zijn intiemste momenten niet meer privé zijn, terwijl zijn onderbroekje toch schoon is.

De anale fixatie bereikt een over-the-top hoogtepunt in ‘Logeerpartijtjes’ – het enige verhaal in de bundel dat niet helemaal overtuigt: de anus van een priester wordt hier regelmatig schoongelikt door een lichamelijk en verstandelijk gehandicapt jongetje. Behalve door de priester wordt hij ook één keer per jaar misbruikt door Michael Jackson (Peter Pan voor intimi). Het is een wat al te nadrukkelijke, en daardoor wat gemakkelijke, persiflage op het misbruik in de kerk.

Al even verbonden met de actualiteit is het verhaal ‘De Bulgaren’, geschreven ter ere van het afscheid van Pieter Broertjes als hoofdredacteur van De Volkskrant in 2010, waarin hij vertelt hoe een krant wordt overgenomen door een miljonair uit Bulgarije. De hoofdredacteur moet veertig man ontslaan (en zichzelf), terwijl hij zijn ochtendkrant ondanks alle gratis nieuwsvoorziening altijd noodzakelijk heeft weten te houden. Zijn ochtendblad fungeert nog steeds als ‘vibrator voor de hersenen’.

In Apocalyps slaagt niemand erin de werkelijkheid naar eigen hand te zetten. Er is de seks waartoe mensen soms een beschermende toevlucht nemen, maar waarvan vaker een vernietigende kracht uitgaat. Niemand slaagt erin zich te redden: ze zijn door gevaarlijke gekken omringd, en veelal zijn ze zelf knettergek geworden door die werkelijkheid.

Dat laatste geldt voor de militair in ‘Welkom thuis’. Een man keert getraumatiseerd terug uit Afghanistan, hij walgt van de tekening op de voordeur waarop staat ‘welkom thuis lieve papa’. Hij weet zeker dat zijn vrouw vreemdgaat en hij legt een onontkoombaar verband tussen de droogte van haar vagina en die van de kale vlakten in Afghanistan. Zijn trauma zet hij om in een verhaal, maar de verbeelding laat het afweten, omdat verbeelding nu eenmaal in de werkelijkheid is geworteld.

Het verhaal lijkt een voorstudie te zijn geweest te zijn voor De man zonder ziekte, Grunbergs uiterst geslaagde roman van vorig jaar. In die roman wordt de rol van kunst in de werkelijkheid bevraagd – kan architectuur de identiteit van de gebruikers beïnvloeden – en dat gebeurt hier ook. De militair schrijft een verhaal waarin zijn vrouw een affaire heeft, en hij kan daaraan alleen een einde maken met een mes. Zo gebeurt het ook: geholpen door de docent creative writing, die na het lezen van het verhaal van die militair waarin hij beschrijft hoe hij vrouw en minnaar doodt, meent hij dat de vrouw getroost moet worden. Werkelijkheid en verbeelding staan niet los van elkaar, met noodlottige gevolgen.

Hetzelfde geldt voor ‘Selmonosky’s droom’, over een jongen die eindigt als journalist in Irak. Net als bij De man zonder ziekte ligt reinheid hier aan de basis van de ondergang. De moeder van de journalist pijpt wekelijks een Ierse agent, omdat ze als immigrant van verder contact verstoken is. Zo wordt voorkomen dat haar jongste zoon mee moet naar het bureau. Meer wil de agent niet, volgens de moeder omdat ze stinkt. Ze vraagt haar oudste zoon haar stank om te zetten in iets gedenkwaardigs: hij zal de eer van de familie niet hoog moeten houden, maar moeten zien te vinden. En dat probeert hij. Na enkele mislukte carrières zoekt hij zijn heil in Irak door artikelen te schrijven in de hoop dat bladen of kranten zijn verhalen zullen oppikken.

Het mooiste verhaal is ‘De Blonde Aap’, over een gesjeesde auteur. Op tv verklaart ze dat haar roman zo slecht is dat ze zelf ook in slaap is gevallen tijdens het lezen ervan en ze biedt haar lezers haar excuses aan. Het gebaar levert haar niet alleen overweldigende verkoopcijfers op, maar ook veel volgelingen. Vanaf dat moment biedt bijna elke dag een schrijver zijn excuses aan voor het werk dat hij heeft geleverd of nog gaat leveren.

Prompt krijgt de schrijfster een tv-programma waarin ze niet alleen boeken gaat recenseren, maar ook de werkelijkheid. Ze komt tot de conclusie dat de werkelijkheid de mens in de steek heeft gelaten. Iedereen die zich uitgestoten voelt, mag bij haar troost komen halen. Ze sluit zich op in een kooi en ontvangt voor elke aflevering enkele gasten die ze de liefde geeft. Ze kan niet anders, ze lijdt aan ‘de ziekte van het liefhebben’.

Het gebaar loopt uit op dagelijks lange wachtrijen en een tv-programma dat wereldwijd wordt uitgezonden. Vol open wonden en korsten ontvangt ze een ieder die iets wil lozen in een van de vele gaten die inmiddels in haar lichaam zijn gevallen. Haar volgelingen pakken alles: plukken haar, een oog en uiteindelijk haar darmen. Dat is het einde van deze vrouw, die zelfs de bacteriën en virussen liefhad. Haar volgelingen blijven. Het is het verhaal van de Godin Denkbaar, waarin het denkbeeldige het uiteraard aflegt tegen de werkelijkheid.