‘Verontwaardigd zijn is heerlijk’

Outsider onder de AKO-genomineerden is Wouter Godijn, met zijn roman Hoe ik een beroemde Nederlander werd, over onder meer populisme. ‘Ik heb de neiging om achter een heel móói gedicht een heel lullig gedicht te plaatsen.’

Illustraties PAUL VAN DER STEEN

Wouter Godijn kon afgelopen voorjaar op bijval rekenen toen hij Hoe ik een beroemde Nederlander werd publiceerde. Maar wat in de stukken die over dat boek verschenen ook opvalt is de relatieve voorzichtigheid waarmee er over een van de hoofdthema’s ervan, de hedendaagse populistische politiek, is geschreven. Een kunstenaar die zich kort na de culturele snoeironde van het kabinet over de politiek uitte: wat wilden ze nog meer?

Wie Hoe ik een beroemde Nederlander werd leest begrijpt echter al gauw waar die terughoudendheid door werd veroorzaakt. Want wat is de werkelijke kern van deze roman aangaande de politiek of het populisme? Waar ‘staat’ de roman, waarin vertellers elkaar met de snelheid van kabinetten afwisselen, nu eigenlijk? Welk signaal gaf Godijn met het boek af?

Het debat over het populisme is sterk gepolariseerd. Dan komt u met een roman waarin uitspraken over dat populisme staan waarvan de lezer de indruk krijgt: daar kan Godijn onmogelijk achter staan. Wat was daarvan de achterliggende gedachte?

„Ik raak, niet alleen wat betreft het populisme, volkomen geblokkeerd als ik moet schrijven wat ik zelf van iets vind en heb personages nodig die dat voor mij doen. Anders zou het uitdraaien op een eindeloos tobben over de vraag: klópt het allemaal wel wat ik schrijf?

„Ik ben wel eens benaderd om een stuk voor een opiniepagina over het populisme te schrijven, maar zo’n sluitend traktaat is niets voor mij. Altijd als ik zo’n boos schrijversstuk over iets gecompliceerds lees bekruipt me het gevoel: ‘ja, dat kan wel zo zijn, maar het is maar één kant van de zaak’.

,,Als ik me iemand inbeeld die ver van mij af staat komt er veel meer uit. Hoofddoel van mijn opzet, al zou het kunnen zijn dat ik mezelf dat een beetje wijsmaak, is dat ik de meningen die mensen er over zo’n onderwerp op nahouden wat aan het wankelen breng. Ik kan met een roman veel meer kanten laten zien op verschillende niveaus.”

U heeft niet zozeer het populisme willen ontwrichten, maar het debat daarover?

„Ik wilde iets over het populisme naar buiten brengen maar merkte dat mijn gevoelens en gedachten erover te diffuus waren voor een stellingname. Ik was geprikkeld door het gemak waarmee er voor het kabinet Rutte I met Wilders werd samengewerkt en door het gemak waarmee daarna die kunstbezuinigingen werden aangekondigd. Maar moest ik daar ‘verontwaardigd’ op reageren?

„Verontwaardigd zijn is heerlijk omdat het het leven zo overzichtelijk maakt. Alles heeft opeens een kader. Je hebt momenten waarop de leegheid van het bestaan een beetje Heidegger-achtig op je afkomt en je jezelf afvraagt: wat doe ik hier eigenlijk, of wat doet het ertoe dat ik er ben? Nou, het fijne van extreme ideologieën is toch dat je een kader krijgt waar je met dat soort gevoelens naartoe kan.

„In mijn geval zou dat dus zijn: ‘nu heb ik de verschrikkelijke Wilders en daar kan ik nu héérlijk tegen strijden!’ En daarmee begin je meteen op hem te lijken. Vandaar dat ik in het boek ook een psychiater opvoer die tegen die de schrijversfiguur in het boek zegt: u en Vaandels (de populistische politicus in de roman, SK) lijken wel een beetje op elkaar.

„Wat ik een rechtvaardiging voor literatuur vind, is dat het toont hoe complex het allemaal in elkaar steekt. Als de Max Havelaar niets anders was geweest dan een pleidooi tegen de onderdrukking van de Javanen, dan was het helemaal weggezakt.”

Wat had u gehoopt dat het boek zou doen?

„Mijn grootheidswaan ging niet zo ver dat het mensen zou bewegen tot reacties. Wel had ik gehoopt, en dat is dan de minder moreel verantwoorde kant van mij, dat het wat aandacht zou trekken en dat het met de winkel dan wat beter zou gaan.”

Maar het zou toch wel mooi zijn als het boek opgepakt zou worden in de werkelijke dialoog over populisme of de subsidiëring van kunstenaars?

„Ja, maar het laat nu wel zien dat de invloed van literatuur niet meer zo groot is als vroeger. Je kunt dus rustig een boek uitbrengen dat Hoe ik een beroemde Nederlander werd heet, want het brengt niet veel tot stand. Je hoopt dat er dan iemand rondloopt die denkt: mmm, dat wil ik wel weten. Maar dat valt tegen.”

U wisselt de harde thematiek van het populisme in het boek af met een verhaallijn over een vissende jongen wiens moeder verongelukt. Bestaat er een correlatie tussen die twee lijnen?

„Mijn bedoeling was een ‘echte’ roman te schrijven, met een echte hoofdpersoon die z’n angsten en trauma’s heeft. Maar ik heb dus blijkbaar ook een heel wrede kant en kwam op het idee: ‘als ik z’n moeder nou eens platrij?’ (begint gierend te lachen). Ik was aan het construeren met verschillende gegevens: ik had de gedachten over het populisme, wilde iets met riddercomplexen doen, en op een gegeven moment is alles bij elkaar gekomen. Maar zo’n jongetje dat met een zwaardje rondrent, dat is precies Geert Wilders natuurlijk.

„De jongen zit na de dood van zijn moeder opgescheept met een trauma dat valt te vergelijken met het geworstel in Het slot van Kafka. Hij heeft het idee dat hij zijn toestemming om er te zijn is kwijtgeraakt, omdat hij zich schuldig voelt over de dood van zijn moeder. Hij moet iets doen, iets maken waardoor hij die toestemming terugkrijgt. Zijn probleem bestaat er uit dat niets goed genoeg is. Hij heeft de aandrang om dingen te verpesten zodat hij weer de straf over zichzelf uitgestort krijgt.”

U schudt de lezer nogal bruut wakker na dat fijngevoelige begin.

„Het is aantrekkelijk om de lezer weg te trekken als het een bepaalde kant opgaat. Een mechanisme dat ik als schrijver ook in mijn poëzie gebruik. Ik heb de neiging om achter een heel móói gedicht een heel lullig gedicht te plaatsen, vol met quasi-onhandigheden en platheden.”

Om het ongemak van de lezer te vergroten? Eerst de lezer een invitatie doen om ergens in mee gaan, en dat dan de grond inboren.

„Kijk, het spreekwoord ‘een ongeluk komt nooit alleen’ is een ontzettend cliché, maar het klopt wel. Als er iemand doodgaat raken daarna ook nog de naaste familieleden heel toevallig aan de diarree, opeens gaan allerlei apparaten in huis kapot.

,,Dat valt altijd op een of andere manier samen: het drama en het volstrekt belachelijke. Wat dat betreft zou je dus kunnen zeggen (wijst uit het raam richting lucht): ik doe slechts de grote schrijver van dit alles na. En daar zit ook dat ontluisterende in.”

Dat doet denken aan de opening van ‘Mijn ontmoetingen met God en andere avonturen’, waarin een schrijversfiguur aan tafel zo druk over Nietzsche zit te oreren, dat hij niet doorheeft dat z’n zoontje met ketchup zit te smeren. Nietigheid, maar dan niet op het niveau van het noodlot, maar veel lulliger.

„Dat zeiden ze toch ook altijd over de aambeien van Marx, nietwaar.”

Hoe zat dat ook alweer met Nietzsche?

„Nou, dat alles bij hem zo op papier kwam omdat hij last van aambeien had. Dat hij niet vanwege het onrecht in de wereld zo verwoed door bleef zitten tikken, maar omdat hij zo’n geweldige last van z’n reet had. Ik ben de eerste die bij het lezen van zo’n theorie denkt: nou, daar zit wel wat in.”

    • Sebastiaan Kort