Veel provo’s, maar te weinig hippies en Damslapers

Russell Shorto houdt van overdrijven. In Amsterdam schrijft de Amerikaanse schrijver die nog even de directeur van het John Adams Instituut in Amsterdam is, dat de Heilige Stede, de Amsterdamse kapel die was gebouwd op de plek van het Mirakel uit 1345 (een hostie die niet verbrandde maar in het vuur bleef zweven), ooit ‘de heiligste plek van Europa’ was. Dat is te sterk: heiliger dan bijvoorbeeld het graf van de apostel Petrus in Rome, kan de in 1908 afgebroken kapel onmogelijk zijn geweest.

Shorto houdt van Amsterdam, de ‘meest vrijzinnige stad ter wereld’. Volgens hem heeft de stad waar hij bijna tien jaar woonde de wereld veranderd. In The Island at the Center (2005) liet hij al zien dat Nieuw Amsterdam, de Nederlandse kolonie die later uitgroeide tot New York, de stad was waar de Amerikaanse vrijheidsdrang en tolerantie vandaan kwamen. Amsterdam is hier een vervolg op: Shorto wil vooral aantonen dat het oude Amsterdam de bakermat van het liberalisme is, de stad waar in de 16de eeuw voor het eerst individuele vrijheid en tolerantie ontstonden.

In de 17de eeuw kwam het liberalisme in Amsterdam tot volle wasdom. Het grootste deel van Amsterdam gaat dan ook over de Gouden Eeuw. Soepel vertelt Shorto over bekende en minder bekende 17de-eeuwse Amsterdammers die geschiedenis maakten. Van Claes Pieterszoon, de arts die zich Nicolaes Tulp ging noemen, stapt hij over op Rembrandt van Rijn, de ‘schilder van het innerlijke leven’ die Tulp in zijn beroemde De anatomieles portretteerde. En van Rembrandt gaat het naar Jan van der Heijden, de ‘Leonardo da Vinci van Nederland’ die de slangbrandweerspuit uitvond, en via het moderne gezinsleven, de huiselijkheid en nog twee Amsterdamse uitvindingen, komt hij terecht in het huis van Jan Six, wiens gelijknamige voorvader is geportretteerd door Rembrandt. Hierna volgt een lang portret van Spinoza, ‘de filosoof van het liberalisme’.

Eigenlijk had Shorto het moeten laten bij zijn levendige beschrijving van het liberale Amsterdam in de 17de eeuw. Maar in de laatste honderd bladzijden beschrijft hij ook nog de drie eeuwen die op de 17de volgden. Dit doet hij op fragmentarische wijze. Met de 18de en 19de eeuw is hij snel klaar. Pas bij de jaren zestig van de 20ste eeuw, toen Amsterdam als Magies Sentrum opnieuw de hoofdstad van vrijheid en tolerantie werd, staat hij lang stil. Maar ook de geschiedenis van de provo’s en andere alternatievelingen in Amsterdam vertelt hij brokkelig en onvolledig. Zo schenkt hij veel aandacht aan de provo’s, maar heel weinig aan hun opvolgers, de hippies en Damslapers. De Nieuwmarktrellen in 1975, die een veel grotere invloed op Amsterdam hadden dan de kortstondige provo-beweging, slaat hij zelfs helemaal over. Hetzelfde geldt voor de krakers van de jaren zeventig en tachtig. Shorto beschouwt ze als een bespottelijke uitwas van de verzorgingsstaat en heeft geen oog voor hun rol in het redden van zijn geliefde oude stad die de Amsterdamse stadsbestuurders in het kader van de wederopbouw grotendeels wilden afbreken.

Bernard Hulsman