Valse memoires van een nazi

Een Britse historica stuitte op een regel in een brief van haar Duitse peettante die in een stadje bij Auschwitz woonde. Ze schreef een imposant boek over haar onderzoek.

Auschwitz in 2012 Foto Peter Langer/Design Pics/Corbis

Voor haar onderzoek naar ervaringen van verschillende generaties binnen opeenvolgende Duitse dictaturen had de Britse historica Mary Fulbrook een mooie bron ter beschikking: de brieven van haar Duitse peettante Alexandra Klausa, de beste vriendin van haar moeder. Hierin waren de beslommeringen te lezen van een vrouw uit de betere kringen, getrouwd met een charmante man en moeder van een zoontje. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging het leven van Alexandra gewoon door, zo bleek. Ze organiseerde etentjes voor collega’s van haar man, ging graag winkelen en klaagde over het gedrag van haar bedienden.

En ineens las Fulbrook de volgende zinnen: ‘Vandaag zijn 15.000 Joden uit de stad voor herhuisvesting afgevoerd. Het was zo vreselijk allemaal dat ik ook wel had willen vertrekken.’ Haar historische voelsprieten werden meteen geactiveerd; het getal 15.000 was opmerkelijk nauwkeurig. Bovendien wist ze dat zulke grootschalige deportaties zelfs in de oorlog zeldzaam waren. Waar had dit drama plaatsgevonden?

Ze googelde het stadje Bedzin waar Alexandra en haar man destijds woonden en was geschokt. Ten eerste lag het maar 40 kilometer ten noorden van Auschwitz. Ten tweede heette de jonge ambtenaar die in de oorlog verantwoordelijk was voor het lokale bestuur, de Landrat, Udo Klausa, de man van haar peettante.

Op dat moment waren Fulbrooks moeder, Udo en Alexandra overleden. Het enige dat Fulbrook wist over Udo Klausa’s rol in de oorlog was dat hij bij het lokale bestuur had gewerkt, maar vanwege zijn onvrede over het nazibeleid in militaire dienst was gegaan. Althans, dat vertelde hij in zijn memoires. Hij was geen ‘echte nazi’; na de oorlog maakte hij een ambtelijke carrière in West-Duitsland. Toen Fulbrook begreep dat Klausa tijdens de oorlog een niet onbelangrijke functie in een bijzonder gebied had vervuld – hij stond als Landrat onder de Gauleiter, maar boven de burgemeester –, ging ze op onderzoek uit. Voor een professioneel historica was dat een gewaagde keuze; het gevaar van goedpraterij ligt op de loer als geschiedschrijvers dicht bij hun onderwerp staan. Fulbrook is zich van dit risico terdege bewust. In het verslag van haar onderzoek, Een kleine stad bij Auschwitz, heeft ze het voortdurend over haar worsteling met het opschrijven van de feiten over het oorlogsverleden van een man die ze als familievriend beschouwde.

Maar ze had nog een reden om de oorlogsgeschiedenis van Klausa te achterhalen: ze wil een lacune vullen. In de literatuur over de Tweede Wereldoorlog is veel gediscussieerd over soorten daderschap. Aan de ene kant van het spectrum stonden Hitler en zijn ideologisch bevlogen functionarissen, aan wie vele biografieën zijn gewijd. Aan de andere kant waren er de vaak laagopgeleide boerenjongens die als kampbeulen en politiemannen in Oost-Europa honderdduizenden mensen vermoordden.

Tussen deze uitersten bevonden zich de consciëntieuze nazifunctionarissen uit het lagere en het middenkader. Na de oorlog maten zij zich de rol aan van ‘onschuldige omstanders’. Maar zonder hen zou de Holocaust niet mogelijk zijn geweest.

Het is deze ‘faciliterende’ groep die in de literatuur onderbelicht is en door Fulbrook uitgebreid wordt onderzocht in de persoon van Udo Klausa. Hield hij zich daadwerkelijk alleen bezig met ‘civiel bestuur’, zoals hij verklaarde, en wat hield dat dan precies in? Was hij echt niet op de hoogte van het geweld dat de SS en SD op de Joden botvierden? En wist hij inderdaad pas heel laat van de vernietigingskampen?

Op basis van verschillende bronnen – ambtelijke stukken, brieven, interviews, naoorlogse procesverslagen – reconstrueert Fulbrook minutieus Klausa’s opvattingen, keuzes en daden als Landrat tussen 1939 en de zomer van 1943, de periode waarin het bloeiende Joodse centrum van de stad volledig ten gronde werd gericht. Zo blijkt dat er veel feitelijke onjuistheden staan in Klausa’s memoires. Volgens Klausa bevond hij zich bijvoorbeeld aan het Oostfront ten tijde van de grootste razzia’s en deportaties in Bedzin, maar uit ambtelijke stukken blijkt dat hij in deze cruciale periode gewoon als Landrat zijn werk deed – naar grote tevredenheid van zijn meerderen zelfs, want die wilden hem liever niet aan de Wehrmacht afstaan.

Fulbrook heeft ook een scherp oog voor de zaken die niet in Klausa’s memoires staan. Ze bewijst dat hij op de hoogte moet zijn geweest van de meest vreselijke maatregelen die voorafgingen aan de massadeportaties naar Auschwitz. Hij moet hebben geweten van het oppakken en terechtstellen van talloze Joden voor kleine vergrijpen, van het invoeren van een op ondervoeding gericht distributiesysteem, van het bijeendrijven van duizenden Joden in een weeshuis dat zich op weg van zijn huis naar kantoor bevond, enzovoort.

In Klausa’s memoires, die hetzelfde patroon volgen als die van vele andere Duitse bestuurders, valt er niets over te lezen. Zijn voorstelling van zaken ‘is geloofwaardiger als de beschrijving van een droom dan als verslag van wat er echt is gebeurd’, constateert Fulbrook cynisch.

Een kleine stad nabij Auschwitz gaat niet alleen over Klausa. Fulbrook richt zich ook op anderen die zich tussen 1939 en 1943 in Bedzin bevonden. Uitgebreid volgt ze enkele Joodse families, die in korte tijd te maken kregen met steeds vernederender maatregelen en gruwelijker geweld. Ze beschrijft hun verhalen wel erg gedetailleerd, maar tegelijkertijd komen juist hierdoor de ontkenningen en verdraaiingen in Klausa’s memoires extra hard aan.

Ook de Joodse Raad krijgt een stem in de persoon van voorzitter Moshe Merin, die zichzelf messianistische kwaliteiten toedacht en met de Duitsers collaboreerde om een deel van zijn volk te kunnen redden. Daarnaast is er aandacht voor Fulbrooks peettante, die de rol van ‘omstander’ vervult. Heel soms schrijft Alexandra Klausa in haar brieven iets over de misstanden om haar heen, maar ze vraagt zich niet af wat hun doel en noodzaak zijn – het bredere beeld ontgaat haar. Hoogstens vindt ze het onprettig de razzia’s achter haar huis te moeten aanschouwen.

Door zowel de persoonlijke betrokkenheid van de auteur als de vele perspectiefwisselingen tussen en binnen de verschillende groepen daders, slachtoffers en omstanders, is Een kleine stad bij Auschwitz een gelaagd en indrukwekkend boek.

Het heftigst en luguberst zijn de passages over de periode waarin de gaskamers op volle kracht hun moorddadige functie vervulden. Als de wind verkeerd stond, konden de inwoners van Bedzin de zoetige stank van brandend vlees ruiken en moesten zij ’s ochtends de roetdeeltjes van hun gordijnen kloppen. Fulbrook toont overtuigend aan dat iedereen in de omgeving van Auschwitz al snel wist wat er in het vernietigingskamp gebeurde.

Dit gegeven maakt het boek niet alleen belangrijk binnen de internationale Holocaustliteratuur, maar ook in een discussie die in Nederland nu al een jaar voortduurt. De historicus Bart van der Boom stelde in zijn boek Wij weten niets van hun lot dat ‘gewone’ Nederlanders zich in de oorlog waarschijnlijk anders zouden hebben gedragen als zij hadden geweten van de gaskamers. Door te laten zien hoe ondanks een maximum aan kennis het verzet van de omstanders minimaal bleef en de hele Joodse bevolking in het gebied rondom Auschwitz kon worden uitgeroeid, toont Mary Fulbrook indirect aan hoe problematisch Van der Booms stelling is. Onder de moeilijkst denkbare omstandigheden winnen moed en medemenselijkheid het maar zelden van angst en eigenbelang.

    • Jaap Cohen