Run het Stedelijk toch niet als bedrijf

De rijke bovenlaag heeft het Stedelijk Museum gekaapt, vindt Anna Tilroe.

Wat heeft de vorige Raad van Toezicht van het Stedelijk Museum bezield om Ann Goldstein amper drie jaar geleden voor te stellen als ‘de gedroomde kandidaat’? Die droom leverde een directeur op die niet begreep dat een op Amerika en het Westen georiënteerd aankoop- en tentoonstellingsbeleid niet de manier is om het Stedelijk naar de eenentwintigste eeuw te tillen. Naar een tijd waarin de sterk opkomende culturen van Azië, Afrika en Zuid-Amerika de Westerse culturele hegemonie aantasten. Een tijd ook waarin een dominante kunstmarkt de machtsverhoudingen in de kunstwereld radicaal verandert en waarin de autonomie van het museum van alle kanten wordt bedreigd. De Raad heeft vast gedacht dat ontkennen van het heden de manier was om de toekomst veilig te stellen.

Wat de droom is van de huidige Raad van Toezicht weten we nog niet. Maar als we afgaan op de profielschets van de nieuwe directeur heeft de Raad geen idee waar het Stedelijk precies staat. Hoe kan het ook anders met zo’n samenstelling. Van de zeven leden komt er één uit de politiek, vijf – waaronder een prins – uit de financiële sector en het bedrijfsleven en welgeteld één uit de kunstwereld zelf, een kunstenaar die in het buitenland woont. Het is waar, een Raad van Toezicht met meer vertegenwoordigers van de kunstsector garandeert niet meer helderheid. Maar er gaat wel het signaal van uit dat het Stedelijk en de Nederlandse kunstwereld bij elkaar horen. Nu is het alsof het museum een bedrijf is dat alleen door CEO’s kan worden gered. Er zijn redenen om dat te betwijfelen en om er hard tegenin te gaan.

Wat eerst en vooral telt, is dat het Stedelijk Museum een publiek museum is. Dat wil zeggen dat de gemeenschap publieke middelen vrijmaakt die het in staat te stellen om bij zijn aankoopbeleid en programmering zonder bemoeienis van buitenaf het belang van de kunst en het publieke belang tegen elkaar af te wegen. Die autonomie is cruciaal voor de geloofwaardigheid van het museum als instituut dat aan de hand van de kunsten een bepaald tijdperk en een bepaalde culturele gemoedsgesteldheid in beeld brengt en betekenis geeft. Maar precies dit maakt een museum voor hedendaagse kunst machtig interessant voor wie invloed wil uitoefenen op het beeld dat een volk of een cultuur van zichzelf heeft of wil uitdragen.

Wat we nu zien is hoe een onbekommerd doorgroeiende, superrijke bovenklasse dat heel goed heeft begrepen. Het komt deze prima uit dat kunst een geschikt middel is om te investeren, te speculeren en te witwassen. Mooi ook dat exorbitante kunstaankopen toegang verlenen tot de globale elite van rijk-en-beroemd en dat bruiklenen aan toonaangevende musea waardevermeerdering van de eigen kunstaankopen betekenen. Maar wat bovenal telt, is dat kunst een indrukwekkend en prestigieus medium is om het eigen succes, een luxueuze levensstijl en het economische systeem dat dit alles mogelijk maakt, te rechtvaardigen en te bevestigen. Weinig instrumenten zijn zo geschikt om dit wereldbeeld geruisloos in de ziel van een cultuur te implanteren als juist een instelling die geacht wordt dat niet te doen – het museum.

Het museum is geen bedrijf onder de bedrijven. Het vertegenwoordigt een geloof dat kardinaal is voor de draagkracht van kunst in de samenleving: het geloof dat de kunst het vrije veld is waarin de menselijke geest zichzelf overtreft. Zijn dat te grote woorden voor het Stedelijk Museum van nu? Ik vind van niet. Maar dan moet de nieuwe directeur wel een verouderde, Amerikaans georiënteerde kunstopvatting achter zich laten, samen met het dictaat van de kunstmarkt dat de beste kunst die kunst is die de grootste kapitaalstromen genereert. Dat pakket moet maar blijven liggen bij de zwaar door het grootkapitaal ondersteunde ‘topmusea’. Wat wij nodig hebben is een museum dat aan de hand van Westerse en niet-Westerse kunst de grote culturele omslag die in de samenleving en de wereld gaande is, in beeld brengt.

Het Stedelijk heeft die potentie. Het beschikt over een collectie die vanuit allerlei invalshoeken licht kan werpen op wat wij ons ooit hebben voorgesteld bij het moderne leven en de vooruitgang, op de heftige of nauwelijks zichtbare culturele gemoedsbewegingen die hierop zijn gevolgd en op de al dan niet uitgewiste sporen van dat alles in deze tijd. Als de nieuwe directeur daarop nieuwe ideeën over kunst en tentoonstellen durft af te schieten en het publieke debat niet schuwt, kan het Stedelijk misschien weer worden wat het ooit was: een plek waar onze verbeelding het bouwmateriaal vindt voor de toekomst.