Rancune, liefde, inzicht; Morrissey pakt uit

De Britse zanger Morrissey, vroeger van The Smiths, blikt terug in een dik boek, in de prestigieuze reeks Penguin Classics. Volwassen worden zal hij nooit!

Morrissey, New York, 2013 Foto Mike Pont/Getty Images/AFP

‘Don’t forget the songs that made you smile, and the songs that saved your life’, zong Morrissey in 1985, toen The Smiths op hun hoogtepunt waren. Hij had zich geen zorgen hoeven maken, want hoewel de communis opinio luidt dat hij na het uiteenvallen van die legendarische band in 1987 nooit meer de grote hoogten van weleer heeft bereikt, was het verschijnen vorige week van zijn jaren geleden aangekondigde Autobiography een nieuwsgebeurtenis van formaat.

Misschien dat Morrissey (1959) zelf inmiddels af en toe wenst dat de songs van The Smiths wat meer in de vergetelheid waren geraakt. In zijn boek beklaagt hij zich erover dat kranten nog altijd niet over hem kunnen schrijven zonder de toevoeging ‘ex-Smith’. Dat Morrissey als soloartiest al lang en breed uit de mode is, verhindert niet dat hij wereldwijd nog altijd grote, volle zalen trekt. Hij drijft niet, of niet alleen, op nostalgie: inmiddels heeft hij zeker vijf soloplaten gemaakt vol pure popperfectie, die de vergelijking met The Smiths prima kunnen doorstaan; albums als Bona Drag, Your Arsenal, Vauxhall and I (het meesterwerk) in de eerste helft van de jaren negentig en You Are the Quarry en Ringleader of the Tormentors in deze eeuw.

Vandaar dat de periode met The Smiths weliswaar een substantieel, maar geen dominant deel uitmaakt van Morrisseys Autobiography: een flinke pil van 457 pagina’s, zonder hoofdstukindeling, verschenen in de fameuze reeks Penguin Classics. Dat laatste op verzoek van Morrissey zelf, die met zijn tong stevig in zijn wang verklaarde: „Ik zie werkelijk niet in waarom het boek daar niet thuis zou horen.”

Op de constructie van het boek valt wel iets af te dingen, een heel soepel geheel is het niet, maar Morrisseys poëtische en vaak geestige proza, dat heel dicht bij zijn songsteksten staat, compenseert voldoende. Onder het motto: ‘Whatever is sung is the case’ oftewel: alleen het gezongen woord geldt. Op de eerste 150 pagina’s roept hij tamelijk briljant zijn jeugd op als kansarm buitenbeentje – zoon van Ierse immigranten, en tenminste ‘anders’ in zijn veelbesproken seksualiteit – in het economisch zwaar geteisterde Manchester van de jaren zestig en zeventig.

Dan volgt een haast in telegramstijl genoteerd verslag van de vijf jaren waarin The Smiths bestonden; misschien niet heel diepgravend, maar wel met gevoel voor de gedrevenheid en pressie waarmee de band de wereld wilde veroveren, want The Smiths namen nooit genoegen met een rustig hoekje in de ‘alternatieve’ sector. Vervolgens lees je een bijna pathologisch verslag vol obsessieve herhalingen en vervloekingen,waarin Morrissey de rechtzaak behandelt waarin Smiths-drummer Mike Joyce zijn voormalige collega’s Morrissey en gitarist Johnny Marr midden jaren negentig aanklaagde voor achterstallige royalty’s (en won).Daarna komt nog een wonderlijk intiem verslag van Morrisseys leven in de afgelopen jaren – nadat hij verhuisd is naar Los Angeles, in pagina’s die lezen als een dagboek, ook over zijn nomadenbestaan als rondreizend popster.

De lezer dwaalt zo door het hoofd van Morrissey, maar dan wel zoals hij de wereld nu ziet, en die valt niet per se samen met het verleden. Zo kon Morrissey ten tijde van The Smiths niet ophouden over zijn liefde voor Oscar Wilde, maar de passie lijkt wat bekoeld, in Autobiography figureert Wilde nauwelijks. De invloed van het werk van Charles Dickens daarentegen, een schrijver die hij pas in de jaren negentig echt begon te lezen, doordrenkt zijn jeugd,met zijn roetkachels, sloppenwijken en misdadig wrede scholen. Morrisseys Manchester in de jaren zeventig lijkt sterk op het Londen van David Copperfield.

Verwacht niet al te veel echte indiscreties, want Morrissey bestaat ook in zijn boek uit dezelfde wonderlijke combinatie van terughoudendheid én drang tot zelfexpressie. Net zo wonderlijk is de combinatie van hypersensitiviteit en onverhoedse botheid. Poëtische evocaties van lang verdwenen buurten en overleden familieleden kunnen plotseling worden onderbroken door een lompe beschrijving van het vrouwelijk geslachtsdeel als ‘the bearded clam’ of een botte typering van het centrum van Brussel als ‘een soort herbouwd Bahrein’. Morrissey worstelt nog steeds met de multiculturele werkelijkheid, waardoor hij al meermaals in opspraak kwam. Vele oude vijanden – van Mike Joyce tot de directeur van zijn oude label Rough Trade, krijgen een veeg uit de pan. En meer dan één.

Misschien heeft Bob Dylans Chronicles model gestaan voor dit boek: ook dat is meer een blik in Dylans verbeelding dan een conventionele levensbeschrijving. Als Autobiography iets duidelijk maakt, is het wat een absolute popgelovige Morrissey van jongs af aan is geweest en altijd is gebleven: zijn liefde voor de ideale popsong is diep en obsessief. Prachtige passages schrijft hij over de eerste keer dat hij David Bowie zag in Top of the Pops met Starman, het moment waarop de jonge Steven Patrick Morrissey voor het eerst een licht aan het einde van de tunnel zag.

Autobiography bevestigt ook dat Morrissey midden jaren negentig een verhouding had met Jake Walters, nu een gevestigd fotograaf – zijn eerste echte liefdesrelatie, toen hij de dertig ruim was gepasseerd. Maar zijn passie voor bepaalde popsongs en auteurs (dichter A.E. Housman, schrijver James Baldwin) neemt aanzienlijk meer ruimte in beslag dan zulke persoonlijke ontboezemingen. Fraaie oneliners, slimme woordspelingen, flitsen van inzicht en levenswijsheid, bittere rancune, dramatisch zelfmedelijden, grote passie en liefde, en bovenal de koppige weigering om ooit zoiets banaals te doen als ‘volwassen worden’ – dit boek is bijna een album van Morrissey. En een heel goed album. Het is altijd te vroeg om Morrissey af te schrijven.

    • Peter de Bruijn