Prijs

Zo af en toe wordt mij nog wel eens de vraag gesteld wie toch de onderschriften van mijn cartoons bedenkt. Als ik dan antwoord dat ik dat zelf doe, word ik vaak maar half geloofd.

Ooit kreeg ik van een Amerikaan, die mijn omslagillustraties van de Wodehouse-pockets van Prisma onder ogen had gekregen, de opdracht een aantal tekeningen te maken voor een grote Wodehouse-tentoonstelling in New York. Die wilde wel eens zien wat ik zoal meer deed, waarop ik hem enkele bundels cartoons toonde. Hij bladerde de boekjes door en daar kwam opnieuw de vraag. Met daarop hetzelfde antwoord. Onmiddellijk kreeg ik het klassieke advies: „Dat doe je helemaal verkeerd. Dat moet je LATEN doen.”

In Amerika is dat inderdaad de gewoonste zaak van de wereld. Vrijwel alle cartoonisten krijgen hun ideeën en teksten aangereikt door anderen, die daar hun beroep van hebben gemaakt. Alleen Steinberg had niemand nodig, maar die gebruikte bijna nooit teksten.

Een herinnering.

Toen ik een jaar of zeven was, deed ik mee aan een tekenwedstrijd voor kinderen, georganiseerd door het waren huis Van der Hart, in Arnhem. Men aarzelde om mij de eerste prijs toe te kennen. Ik werd aan een derdegraads verhoor onderworpen door een strenge volwassene. Had ik dat echt zelf getekend? Alleen? Ben je niet geholpen door vader, moeder of je oudere broertje? „Nee, heus niet, meneer.” Ook toen werd ik maar half geloofd en voor de zekerheid kreeg ik de tweede prijs in plaats van de eerste, want ze vonden mijn tekening verdacht.

„Leuk, hè”, zei mijn moeder.

„Ja”, zei ik, maar ik voelde me zwaar bekocht.