Portretten met aha-Holland-effect

Hendrik Kerstens fotografeert zijn dochter al jaren. De laatste tijd is ze pas echt een model, uitgedost met vindingrijke hoofddeksels van bubbeltjesplastic tot aluminiumfolie. Een enkel portret is subliem.

Bag, 2007

Hendrik Kerstens was tot voor kort de maker van één sublieme foto: het meisje met de plastic boerinnenkap, oftewel zo’n dun, wittig plastic tasje dat je voor elke biet krijgt aangereikt. De hengsels fungeerden op het portret als Volendamse kapflappen. De fotograaf kreeg in 2008 een prijs van de National Portrait Gallery in Londen voor deze Bag (2007) en de Britse modeontwerper Alexander McQueen zette het portret op de uitnodiging voor zijn wintercollectie (2009), en dat is niet niks in modekringen.

Hoe kwam die foto tot stand? Op de televisie vertelde Kerstens (1956), een voormalige Amsterdamse wijnimporteur en fotografisch autodidact, dat hij het samen met zijn dochter Paula zo koud had in New York dat hij haar op de hotelkamer dat tasje op het hoofd zette. Een beetje onwaarschijnlijk is het wel.

Het recent verschenen, mooi verzorgde Hendrik Kerstens. Paula - Silent Conversations, met ruim vijftig andere foto’s van zijn dochter opent met die Bag. Van Melbourne tot Malaga zal menigeen dit portret, gezien de internationale reputatie van Hollandse kaasmeisjes, meteen weten thuis te brengen. Ook de op één na bekendste foto van Kerstens roept internationaal zo’n aha-Holland-effect op: De nek van Paula torst een witte molensteenkraag, die dames van stand op 17de-eeuwse schilderijen dragen. Op zichzelf niet zo bijzonder, want de Franse fotografe Jocelyne Moreau doste er in 1999 al een halfnaakte, bejaarde man mee uit. En toch is deze Paula-versie wél bijzonder, omdat Kerstens het lumineuze idee kreeg het gesteven linnen batist te vervangen door een forse stapel van die papieren onderzetters waarop banketbakkers taarten plegen te presenteren.

Kerstens portretteert zijn dochter van jongs af aan (zijn vrouw doet de styling), zo laat het boek tussen de eigentijdse beelden afwisselend zien: als een klein meisje vol make-up, als een naakte puber, als een jonge vrouw met hoody en oortjes. Thuis gekomen na een dag vol zon, legde haar vader haar verbrande huid vast. En hij zette haar een lange, golvende pruik op, om ons te doen geloven dat ze naakt en beschaamd in de slaapkamer van de Franse Zonnekoning is beland.

Bij vermommende foto’s als deze duikt in teksten meestal meteen het woord ‘identiteit’ op. En dan komt Cindy Sherman (1954) langs die zich van hoer tot heilige voor de camera heeft in- en uitgeleefd. Sherman is op haar beurt schatplichtig aan de Française Claude Cahun (1894-1954) die zich al in de jaren dertig op zelfportretten als man of vrouw presenteerde – om het vrouwonvriendelijke Frankrijk te schofferen en de gender-problematiek aan te kaarten.

Maar Paula is Paula gebleven, ze stoeit niet met identiteiten, zoals ook Martin Barnes, senior curator fotografie van het Victoria & Albert Museum, Londen, in zijn lovende inleiding in het boek opmerkt. Maar Barnes haalt er wél ecologische en consuminder-achtige aspecten bij, en dat lijkt me nou weer te vergezocht.

Paula, die graag poseert voor haar vader, valt simpelweg in het familiefoto-repertoire, waar de Amerikaanse Sally Mann (1951) furore mee heeft gemaakt. Daarin geeft een ouder fysieke intimiteit prijs waarvan je hoopt dat de kindmodellen er later geen problemen mee krijgen. In de vroege foto’s van haar kan dat meespelen, maar niet in de recente, hypergestileerde portretten, die steeds oplichten tegen een diepzwarte achtergrond.

Paula fungeert met haar klassieke gezicht en lange wimpers als een onbewogen model, opgetuigd met bizarre hoofddeksels, zoals een haarnet, zwemmuts, lampenkap, servet, theedoek, toiletpapier en een aureool van lege frisdrankblikjes. Haar unverfroren blik lijkt te vertellen dat het dragen van een uitwaaierende muts van aluminumfolie of een woest gedrapeerde tulband van bubbeltjesplastic de gewoonste zaak van de wereld is.

Knap van Kerstens om met zulke ongewone materialen associaties op te roepen met streekklederdrachten en Hollandse en Vlaamse schilderkunst. Want Paula doet regelmatig denken aan de gehoofddoekte vrouwen die op vijftiende-eeuwse panelen van bijvoorbeeld Rogier van der Weyden, Dirk Bouts of Hugo van der Goes rondlopen, rouwend om de dode Jezus. Ook de meisjes van Vermeer komen af en toe om de hoek kijken, als Paula’s handen een gracieuze doventaal te zien geven.

Toch wreekt zich in dit fotoboek het succes van dat plastic tasje. Kerstens, die graag photoshopt, heeft er vindingrijk en uitbundig op gevarieerd, maar het lukt hem niet die Bag te overtreffen. Onwillekeurig zie je hem steeds zoeken naar andere maffe materialen om zijn vondst te herhalen. En dan betrap je jezelf erop vluchtig langs die prachtig gemaakte foto’s te scheren, langs gekunstelde varianten op een ongekunsteld meesterwerk. Op de laatste foto in het boek, dat een vaderlijke liefdesverklaring is, zit Paula op een paard, een uitvergroting van een beeldje dat ze als kind al had. Kerstens neemt dan afstand, verkent de ruimte, gebruikt andere attributen – wie weet wat er nog komen gaat.

    • Marianne Vermeijden