Ontevreden bofkonten

Sommige feiten zijn uitdagend: als de welvaart toeneemt, neemt het geluk niet navenant toe. Dat blijft ongeveer op hetzelfde niveau, is gebleken uit onderzoeken die sinds de jaren zeventig in Groot-Brittannië onder grote groepen mensen zijn gedaan. Ik had het eerder gelezen maar zag het nu weer staan in een stuk van de econoom Robert Skidelsky dat afgedrukt staat in het laatste nummer van het tijdschrift Nexus. Hij schrijft dat verschillende economen, en die niet alleen, daaruit de conclusie hebben getrokken dat het irrationeel is om maar door te willen groeien. Klaarblijkelijk leidt dat niet tot meer geluk. Klinkt logisch. Je weet alleen niet of minder groei niet tot een verminderd geluksgevoel zou hebben geleid. Of leidt eigenlijk niets, behalve grote rampen als oorlogen en overstromingen, tot grote veranderingen in het gemiddelde geluksgevoel? Is het geluksgevoel in westerse, tamelijk welvarende maatschappijen, gewoon al decennia of langer min of meer constant?

We willen altijd meer, altijd anders, altijd nieuw. Met het comfort dat we in de jaren zeventig bezaten waren we in het geheel niet ongelukkig. Moest je het daar nu weer mee doen, dan zou je dat als een achteruitgang beschouwen. Omdat je het anders gewend bent. Het geluk van rijkdom is, dat weten we maar al te goed, relatief. Iemand die een jaarinkomen van 80.000 euro heeft, maar daarmee de minst verdienende is p zijn kantoor, is ongelukkiger dan iemand die met 60.000 euro de hoogstbetaalde op de werkplek is.

In een ander stuk in datzelfde Nexus, wijst econoom Tomas Sedlacek op de opvoedingstruc om een kind te laten eten door over hongerige kindertjes in Afrika te spreken. We vragen het kind niet om die andere kinderen te helpen. We vragen het om zichzelf zo’n bofkont te vinden met dat volle bordje dat het meer eet dan waar het zin in heeft.

De mens is een wezen dat niet gauw tevreden is. Zelfs in het paradijs niet, zegt Sedlacek, alles konden Adam en Eva immers eten, alles hadden ze, maar ze moesten zo nodig die ene vrucht consumeren die buiten hun bereik gesteld werd.

Mensen willen altijd meer. En altijd wat anders. Mensen hebben een enorme neiging tot verveling.

Het paradijs klinkt inderdaad altijd nogal saai.

Het eten bestond uit niets dan vruchten. Over tijdbesteding wordt niet gesproken – schilderde Adam? Vervaardigde Eva kunstig geblazen glazen?

Ze hadden geen verlangens natuurlijk. Die kwamen pas met hun kennis. En die verlangens, en die kennis over hoe wij zijn, die raken we nooit meer kwijt.

Het paradijs van onbewust en dus tevreden leven, zijn we kwijt, hoe vaak en veel ons ook wordt aangeraden, door Aristoteles, Epicurus, de stoa, het christendom, het boeddhisme enzovoort, om matig te zijn en tevreden.

Tevredenheid klinkt ook algauw nogal lauw.

In datzelfde nummer van Nexus wijst filosoof Paul van Tongeren op de interessante opvatting die Nietzsche daarvan had. Niet leven alsof je een ruiter op een stapvoets sjokkend paard bent, op een saaie, suffe manier tevreden en op je gemak. Maar alsof je je paard voortdurend de baas moet blijven, en ook werkelijk blijft, waarbij ruiter en paard plezier hebben in hun vaart, hun vuur, hun kracht en hun beheersing.

Daar lijkt een opwindende weg zich te openen. We verbieden onszelf niet om iets te begeren en evenmin zien we van alle hartstochten af, maar we leven met onze verlangens tot zover als mogelijk.

Groei zowel als krimp, in het economische en het geestelijke, gaan we ten volle aan. Leven!

Al is dat natuurlijk wel een persoonlijke aanwijzing voor een algemeen maatschappelijke toestand. Maar ja. Zo leven we nu eenmaal ook. Broodkruimels op de rok van het universum.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.