Niemand op het veld kent de regels

‘Jij bent toch scheidsrechter?” vraagt een vriend van mij die nooit echt goed heeft leren voetballen. Het is vrijdagavond, we staan in de kroeg. „Heb je morgen wat te doen?”

Toevallig heb ik dit weekend geen aanstelling van de bond gekregen. Dat komt mooi uit. Over nog geen half etmaal moet mijn vriend met zijn team een wedstrijd spelen en de sukkel die het potje zou leiden, heeft net per Whatsapp afgezegd. Men zoekt nu een andere sukkel.

„Gaat het nog ergens om?”, vraag ik.

Mijn vriend lacht. Het gaat om de reserve zesde klasse, vertelt hij. Dat betekent zoveel als lager dan laag. Degraderen bestaat daar niet. Het is twee helften vloeken en schoppen om vervolgens het verdriet van de zoveelste verloren wedstrijd tijdens de derde helft in de kantine per meter bier weg te spoelen. Ik beloof dat ik er zal zijn.

De volgende dag om iets voor half één sta ik in vol ornaat bij de middenstip. Het oranje, op mijn borst genaaide scheidsrechtersembleem schittert.

„Zo”, zegt de aanvoerder van het uitteam op een toon die het midden houdt tussen scherts en bewondering. „Een echte.”

Ik glimlach naar hem. We doen kop of munt met mijn meegebrachte stuiver. Kop, gokt de aanvoerder, en dat wordt het. „Dan trappen wij af.”

„Dat kan niet”, antwoord ik. „Als je de toss wint, kies je een helft.”

De aanvoerder kijkt me meewarig aan. „Zullen we het een beetje leuk houden vandaag?”, vraagt hij. „Dit is niet de eredivisie hoor.” Op de cursus heb ik geleerd dat ik geen onderscheid moet maken, of het nou Ajax is of FC Knudde. „Jullie blijven staan?”, vraag ik. Het is in orde.

Trainingsjasjes en truien worden – nu pas – uitgetrokken, een speler van het thuisteam schudt op bewonderenswaardig vlugge wijze een opstelling uit zijn mouw. Als iedereen eindelijk klaarstaat, blaas ik op mijn fluitje. Er wordt afgetrapt. Ik blaas nog een keer op mijn fluitje.

„Wat is er, scheids?” Ik leg uit dat de bal bij de aftrap naar voren moet worden gespeeld. Niemand schijnt het te weten. „Toch is het zo.”

De aftrap gaat opnieuw, goed nu. Straks schiet iemand van een van de teams per ongeluk de bal tegen zijn eigen hand aan. Dat gebeurt vaak op dit niveau, en dan roepen de spelers van het andere team heel hard: „Hands!” En dan leg ik uit dat het niet zo is.

Het spel kabbelt voort totdat de wedstrijdbal in de sloot belandt. Ik vraag om een nieuwe, maar alle reserveballen blijken zacht of lek te zijn. Met een boomtak wordt de enige harde bal uit het water gevist. Het spel ligt zo’n drie minuten stil. Ik denk dat ik die minuten vandaag maar eens – volstrekt tegen de regels – bij de speeltijd optel.

    • Menno Fernandes