Kijken in de lege ziel van een engerd

Tweehonderd pagina's lang komt een man aan het woord met een kort lontje. Hij voelt zich een vorst in bruine kroegen en caravans. De mooiste scènes lijken op fragmenten uit The Sopranos, waarin boeven hun leven denken te kunnen beteren.

Caravan in Willison, North Dakota foto Ilvy Njiokiktjien

‘Slangen zien’: het kon wel eens het enige abstracte taalgebruik zijn dat Walter van den Berg zichzelf heeft toegestaan in zijn derde roman. De man die er het woord in voert drukt zich steevast uit in een aards, eenvoudig taaltje, tot hij een paar biertjes op heeft en de bloedgabber of vriendin naast hem plotseling verandert in iemand die een paar klappen verdient. En dan verschijnen dus die ‘slangen’ in zijn blikveld, en sneuvelt er niet lang daarna een neusbot of een afgeleefd stuk meubilair van een mottige woning.

Van dode mannen win je niet is een roman over een man die voor geen cent deugt. In een tweehonderd pagina’s tellende monoloog, denk aan Dinsdag van Elvis Peeters, richt de hoofdpersoon zich tot Wesley, de zoon van een vrouw met wie hij ooit een relatie had. Hij biecht, hij slijmt, hij lijmt, hij probeert krom recht te lullen, en allemaal om, tja, waarom doet hij het eigenlijk?

Een van de grote krachten van dit boek is dat je je de hele tijd blijft afvragen waarom dit hart gelucht wordt. Een great communicator is de man in zijn eerdere jaren niet geweest, zo blijkt al snel, dus waarom dan nu wel ineens? Zou hij in de gevangenis zitten en met deze ‘confessie’ een bewijs van goed gedrag proberen af te dwingen?

De ‘makkelijke’ structuur van de monoloog is bij Van den Berg zo goed te verteren omdat er uit het proza voortdurend van dit soort vragen opborrelen. De belangrijkste daarvan: wat mankéért deze man in hemelsnaam? Waarom is zijn lontje zo kort en waar haalde hij de vrijheid vandaan om zo te parasiteren op listig ingepalmde vrouwen?

Er is uit de tekst, goddank, geen eenduidig antwoord op deze vragen te formuleren. Van den Berg laat de man niet aan zelfreflectie doen (dat zou ook helemaal niet bij zo’n man passen), maar heeft op een veel knappere manier aanwijzingen in het proza verborgen die iets van diens psyche blootleggen. Ik schreef in de kantlijn uiteindelijk iets op als ‘doorgeschoten trots, uitmondend in sadisme’, maar besefte tegelijkertijd dat iedere andere amateur-Freud tot eigen inzichten zou kunnen komen.

Lang is ‘de man’ (laten we hem maar zo blijven noemen) een vorst geweest in zijn zelfverkozen habitat van bruine kroegen, anti-kraakpanden en caravans, maar daar komt een eind aan wanneer hij veroudert en aan fysieke kracht inboet. Dat hij nog steeds een leeuw is, maar wel een die op het punt staat afgelost te worden, laat Van den Berg in een heel fijn detail zien. Met een jonge vriend, Mark, reist de man naar het oosten van Nederland, om voor weinig geld bij een sloperij een paar stoelen voor een op te knappen Citroën aan te schaffen. ‘Mark haalde zijn gereedschap uit zijn kofferbak en we sloopten die stoelen eruit; hij aan de passagierskant, ik bij het stuur, en hij kwam me helpen met een moer die niet los wilde. Hij had een klemtang in zijn kist en ik zette ’m vast en gebruikte een lange schroevendraaier om de hef groter te maken. Ik wrikte en kreeg de moer nog niet los, maar Mark lukte het, en ik klopte ’m op z’n schouder, goed gedaan jochie.’ Hier spreekt overmoed uit, en zelfoverschatting, en het zal dan ook niet verbazen dat Mark het op een later ogenblik in hun fysieke leven ook aan het langste eind zal trekken. Kijk ook eens wat zo’n simpel woord als ‘nog’ aan de passage toevoegt: het lukt me niet, maar dat duurt niet lang meer.

De mooiste scènes zijn overigens die waarin Van den Bergs boef onderworpen wordt aan de ruwe mores van zijn sociale klasse. Die doen denken aan delen uit The Sopranos, waarin het in de bad guy ook pas begint te kraken wanneer is besloten het leven te beteren. Iets soortgelijks demonstreerde Henk van Straten al in de roman Salvador. Het de laatste jaren toch al zo rap groeiende lijstje met goed geschreven Nederlandse romans over ploeterende stugge mannen is met Van dode mannen win je niet weer iets langer geworden.

    • Sebastiaan Kort