Kantje boord

Het was zó’n mooie herfstmiddag – alsof de zon geen afscheid van ons wilde nemen omdat hij bang was ons nooit meer te zullen zien. Van dankbaarheid besloot ik een ijsje te kopen bij ijssalon Tofani aan de Kloveniersburgwal. Ik was niet de enige die zich gezegend voelde, het terrasje voor de winkel zat vol met genietende likkers. Het was weer vakantie, er kon ons niks gebeuren.

Naast mij zat een vrouw te telefoneren, ik hoorde haar vragen: „Do you want I go to the Baienkorf?” Niet met dit prachtige weer, dacht ik, maar ik werd afgeleid door twee Amerikaanse toeristen, een man en een vrouw, die in het belendende straatje onhandig met een joint stond te hannesen. Ze lachten er wezenloos bij.

Kennelijk hadden ze ook de aandacht getrokken van een bruingetinte man op een fiets, die traag langs hen heen reed, zich omdraaide en weer terugkwam, steeds onderzoekend kijkend naar het duo. Een dealer die handel rook? Vermoedelijk. We zaten vlakbij de Nieuwmarkt, waar het wemelt van dealers en andere mensen met snode bedoelingen.

Toen de man zijn fiets wéér draaide om zijn manoeuvre te herhalen, riep een vrouw vanaf het terras luid naar hem: „What is your problem?” Ze was van middelbare leeftijd, had een kapsel met veel grijze krulletjes en droeg een felgroene broek. Ze zat met nog enkele mensen aan een tafeltje, maar die hoorden niet bij haar.

De dealer keek haar vanaf zijn fiets indringend aan en zei met een laconiek soort valsheid: „My problem is you.” Zijn agressie zat in de klemtoon op ‘you.’ Ik vond het, vanuit zijn perspectief gezien, wel een rake reactie – je moet er maar op komen.

Hij peddelde nog even door; woede heeft soms tijd nodig om volledig bezit van je te nemen. Toen stapte hij af en liep, de fiets aan de hand, terug naar het terras. Hij zei weer, maar nu schreeuwend met een verbeten gezicht: „The problem is you! You fuckin’ bitch! You cunt!”

De vrouw zat, versteend op haar stoel, naar hem te kijken. Wij trouwens ook – ik geloof dat ik namens de andere terraszitters mag spreken. We beseften allemaal wat ze mogelijk ontketend had. Een trotse dealer laat zich niet in zijn eigen domein vernederen. Wie waren wij nu helemaal in zijn ogen? Verwende toeristjes die hem belemmerden in zijn broodwinning. Burgertrutten die nog niet eens wisten hoe je een jointje moest draaien.

De dealer liep verder in onze richting. Wat te doen? Ik vermoed dat die vraag door meer mensen op dat terras heen flitste. We konden toch moeilijk die vrouw laten afslachten? Het was nog een geluk dat ik mijn stukje voor de volgende dag al had ingeleverd – misschien was het wel mijn laatste; het zou een waardig afscheid zijn, daar niet van.

Dichtbij de straat, aan de rand van het terras, zat een echtpaar pizzabroodjes te eten. De man was mager en kaal en had twee wijduitstaande oren, wat hem een weerloos aanzien gaf. Uitgerekend hij stak zijn armen in de lucht en riep naar de dealer: „Laat gaan! Laat toch gaan!” Het klonk even bezwerend als smekend.

De dealer wierp een snelle blik op hem, bleef staan, keerde zich zonder iets te zeggen om, stapte op zijn fiets en reed weg.

Wij herademden en likten weer aan onze ijsjes, maar minder ontspannen dan daarnet. Vijf minuten later stapte de vrouw op. Ze liep langs het tafeltje van het echtpaar en zei met een Amerikaans accent: „This was kantje boord.”

Dat was het.

    • Frits Abrahams