Hij vouwt de bootjes van zijn dromen

Er zijn jonge dichters bij wie ik me na lezing van het debuut al voorneem in de toekomst geen bundel over te slaan. Thomas Möhlmann (1975) staat, blijkt nu, met recht hoog in die ranglijst. Zijn derde bundel zet het mysterie van zijn groeiend oeuvre voort. Dat mysterie schuilt in de paradox van stuwing en beheersing. In Waar we wonen uit Möhlmanns beheersing zich bovenal in de regelval. Zijn enjambementen zijn onopvallend, maar dwingen de lezer opvallend onontkoombaar zijn verzen door.

Möhlmanns thematiek is vaak even paradoxaal. ‘Afspraak’ heet de reeks van vier gedichten, die de bundel opent. In het eerste vers duidt het woord ‘afspraak’ op de wording van onze taal: ‘iemand wees naar het vuur en zei vuur / iemand bakte een dier en zei vlees…’ Maar in de slotregels wordt de afspraak een verbond tussen mensen: ‘iemand wees naar de sterren en zei / ik zal voor altijd bij je blijven.’ Dan ligt venijn, zoals in eerder werk van Möhlmann, op de loer. Het vierde vers geeft een opsomming van afspraken tussen geliefden, met een twijfelachtige conclusie:

Dat alles wat ik voor je voel dankzij jou

En dankzij de afspraken bestaat, dat

Kon ik je zeggen maar niet tot wanneer.

Waar we wonen is opgedragen aan ‘Sterre’. Dat was ook de naam die Constantijn Huygens zijn echtgenote, Susanna van Baerle, toedichtte. Voor Möhlmann, die Nederlands studeerde, zal dit geen toevallige overeenkomst zijn. Zijn bundel staat ook vol verwijzingen naar werk van collega-dichters. Regels van Erik Menkveld, Martin Reints, Edwin Fagel en Jan Baeke – aldus Möhlmann in zijn Aantekeningen – waren aanzetten tot verzen. In de gedichten zelf zijn de verwijzingen doorgaans onzichtbaar, met één klinkklare uitzondering. ‘Hoe raak je ooit verlost van wat je hult bedt vormt / Hoe zonder stikken,’ schreef Piet Gerbrandy. Thomas Möhlmann alludeert daarop in een reeks van vier verzen. ‘Hult bedt vormt’ presenteert hij daarbij in omgekeerde volgorde. Maar in de laatste regels van het slotvers van de cyclus keert hij terug naar de letter van Gerbrandy, zij het met een typisch Möhlmann-einde: ‘Wat je hult bedt vormt, laat je achter // laat je achter.’

Hier toont zich de Maker. Möhlmann is een dichter die het vak verstaat. Dat vakmanschap is des te indrukwekkender doordat zijn poëzie zich voortbeweegt in een territorium dat geen kompas verdraagt. Voor de lezer is dan ook niet altijd helder of de dichter op aarde toeft of in de wolken. Maar die desoriëntatie is bij Möhlmann geen caleidoscopisch vertier, want een zinvolle ontregeling – ingegeven door het bewustzijn dat ons verlangen naar orde hopeloos is.

Nieuw in Möhlmanns gedichten is de nadrukkelijke rol van de liefde in het poëtisch proces van verstoring. Een indrukwekkende demonstratie daarvan is de cyclus ‘Achter de wolken’. In negen verzen verplaatst de dichter ons van huis en tuin naar luchthaven, wolkenvelden en elders. Maar ook hier geldt een dwingende paradox: ‘De vertrekhal is uiteindelijk / precies de aankomsthal. Je stijgt op en je landt.’ Of, zoals het eerste couplet van het slotgedicht van de cyclus stelt: ‘Ik haven, jij havent, wij zitten / op een paar kilometer van elkaar / vastgeklonken aan hetzelfde thuis.’

Deze korte samenvatting doet de reikwijdte van Möhlmanns werk te kort. Goede poëzie laat zich nu eenmaal niet navertellen. Staan er dan geen zwakke gedichten in Waar we wonen? Toch wel, eentje maar. ‘Helder en zonder vrees’ heet het en het dicteert de spelregels van een pijnvol, maar volledig leven. Bij zo veel apodictisch geweld is er geen ruimte voor ontregeling, en alleen daardoor al is dit vers een dwaallichtje in Möhlmanns firmament. Maar daartegenover staan poolsterren, zoals ‘Hij is de man’:

Hij vouwt de bootjes van zijn dromen, blaast zachtjes Om niemand wakker te maken hun , papieren zeilen Vol en kijkt ze zachtjes zachtjes na tot uit, het raam

Hij houdt als de ochtend aan komt rollen de kozijnen En de lijsten rond de foto’s op hun plaats en wacht Tot alles bedaart en iedereen aan het ontbijten slaat

Hij houdt de hele dag de kleine en de grote wijzer

Aan de praat, hij houdt de straat tot het schemeren gaat

In de gaten, als een jas passen hem de gang en de wanden

Als aan een spijker hangt aan hem het huis

Hij is de man die ’s nachts de vuilniszak- ken leegt

De lepels in de la recht legt, de grote en de kleine

Jassen aan de kapstok aan hun lusjes hangt

Ontregeling lijkt hier geen kans te krijgen, maar de beschreven hang naar orde is zo dwangmatig dat het venijn van desoriëntatie tussen de regels loert. Zoals alle goede eigentijdse kunst toont Thomas Möhlmanns poëzie niet zo zeer wat er is, maar roept ze op wat diep daaronder ligt, of zou kunnen liggen.

    • Arie van den Berg