Hè, wie heeft Hermans uit de Grote Drie gegooid?

Het is een mooie foto, waarop Hugo Claus een bloem legt op de kist van Louis Paul Boon bij diens begrafenis. Minder mooi is wat Claus zei toen hij die 15de mei 1979 zijn fresia losliet: ‘Nu ben ik de grootste.’ Feitelijk juist, maar toch. Claus fluisterde, maar hard genoeg om allerlei mensen zijn onbeschaamdheid te laten horen – een theaterman weet dat fluisteren meer opvalt dan schreeuwen.

Het voorval staat in het jongste nummer van literair-historisch tijdschrift Zacht Lawijd. Boon-biograaf Kris Humbeeck schrijft daarin een schitterend stekelige brief aan Claus over de moeizame pogingen tot vriendschap tussen de Grote Twee van de naoorlogse Vlaamse letteren: ‘Niet dat jullie het niet geprobeerd hebben, u zeker, maar enkele uitzonderlijke momenten van vertrouwdheid daargelaten, nam jullie relatie in het beste geval de vorm aan van onder kwalijke grapjes verborgen argwaan (uw vriend Boon) of minzaam verhulde irritatie (u).’

Ik moest aan Boon en Claus denken toen ik in de aanloop naar de Jonge Schrijversavond, vanavond in de Stadsschouwburg, een filmpje zag over drie bijzonder keurig ogende jonge mannen van wie een fotoshoot werd gemaakt op een tennisbaan. Ze leken op Philip Huff, Joost de Vries en Thomas Heerma van Voss. Twee van de drie sloegen een balletje, zachtjes om de cameraman niet in de war te brengen. De derde wekte de indruk best graag naar huis te willen. Om het zoveelste shot moesten ze zich verkleden. Truitje zus, shirtje zo, jasje erbij. Arme jongens. In handen gevallen van een stylist die zich had voorgenomen om in één keer de Nieuwe Truttigheid in de Nederlandse letteren af te kondigen.

‘Hier zijn de nieuwe Grote Drie van de Nederlandse Literatuur’, stond bij het filmpje, dat hoort bij een kwebbelstuk in het kwartaalblad Elsevier Juist. De Vries, Heerma van Voss en Huff worden erin voorgesteld als respectievelijk de nieuwe Mulisch, Reve en Wolkers. Maar onder fotolampen op een tennisbanen krijg je onherroepelijk een Kleine Drie.

En, hè, welke braverik bij Elsevier heeft Hermans uit de Grote Drie gegooid en zijn stoel aan Wolkers gegeven? Of eigenlijk aan een misverstand over Wolkers, want Huff blijkt zijn eretitel behalve aan de seks in zijn boeken te danken aan het feit dat hij een ‘knuffelbeer’ zou zijn. Nu was Wolkers in zijn laatste jaren best knuffelbaar als hij tv-ploegen in zijn Texelse tuin rondleidde. Maar de schrijver Jan Wolkers, van wie na de jaren zeventig trouwens weinig opzienbarends meer werd vernomen, deed weinig aan geknuffel. Wel aan vulgaire-vernieuwende beeldspraak, zoals ‘de klapdeurtjes in een saloon die klaar hangen om je voor je ballen te slaan.’ (Voor de context zie Turks fruit, pagina 52 – veel exemplaren vallen daar vanzelf open).

Aan het eind van het filmpje heeft Joost de Vries het over de noodzaak tot polemiek in de stijl van de oude Grote Drie. Hij wil wel, maar tegen wie? ‘De kogels zitten in de kamer, maar er is nog geen reden om te schieten.’ Misschien moet hij de Claus in zichzelf loslaten om zich te verlossen van het spook van Mulisch dat steeds weer op hem wordt afgestuurd.

Maar eerst leggen we zaterdagochtend een bloem op de kist van Thomas Blondeau in Poperinge. Zwijgend.