Een vriendelijke, Chinese slappeling

Terwijl het engagement greep kreeg op Chinese auteurs beschreef Qian Zhongshu een schoolvoorbeeld van de kinderlijke piëteit die het confucianisme voorschrijft: luister naar uw vader, moeder, schoonouders en baas.

Een Chinees bruidspaar in Tianjin Foto AFP/Mark Ralston

Er zijn twee soorten mensen op de wereld: zij die de lekkerste druiven uit een tros als eerste eten, en hun tegenpolen die de lekkerste tot het laatst bewaren. De eerste zou je optimistisch moeten noemen, omdat hij steeds het lekkerste eet van wat hij nog heeft. De tweede soort lijkt eerder pessimistisch, omdat hij steeds eerst het minst lekkere eet. Maar in feite is het andersom, want de tweede soort heeft altijd nog hoop, terwijl de eerste alleen maar herinneringen heeft.

Met die redenering probeert Fang Hongjian, het hoofdpersonage in Qian Zhongshu’s Belegerde vesting, zichzelf ervan te overtuigen dat het heus wel goed zat met zijn verloving, die hij als weinig opwindend ervaart. Verliefd worden en samen oud worden kon je immers zien als het eten van zo’n tros druiven: het beste in zijn relatie moest nog komen, dus dat bood hoop.

Wanneer hij dit verwachtingsvol aan zijn verloofde Sun Roujia verteld, reageert ze kribbig: ‘Als die lekkerste druif waarop jij zo hoopt echt helemaal aan het eind komt, dan ben ik dus een van de slechtste druiven. Ik wil je eetlust niet verpesten.’Het is een van de vele grappige misverstanden die bij het koppel rijzen, en die er allengs toe leiden dat de twee niks meer tegen elkaar kunnen zeggen zonder dat de ander gepikeerd is.

Dat het zo moet lopen met Hongjians huwelijk was te verwachten, want al snel wordt in het boek een Frans gezegde uit de doeken gedaan: ‘het huwelijk is een belegerde vesting, zij die buiten staan willen naar binnen, zij die erin zitten willen eruit.’ Toch beslaat alleen het laatste kwart van het boek dat huwelijkse leven.

In de aanloop daarnaar toe krijgen we een goede indruk van wat voor persoon Hongjian eigenlijk is, en van het feit dat miscommunicatie, tussen Hongjian enerzijds en zijn ouders, schoonouders, vriendinnen, vrienden, werkgevers en collega’s anderzijds, niet alleen aan echtparen voorbehouden is. De schrijver heeft er een aangename satire van weten te maken, met vele dialogen, die dankzij de vertaling van Mark Leenhouts ook in het Nederlands zeer levendig zijn.

Is Hongjian nu echt een hoopvolle pessimist, om bij de anekdote over de druiven te blijven?

Wanneer een vriend Hongjian verwijt dat hij pas gelukkig kan zijn als hij ongelukkig is, beschrijft de verteller humoristisch dat Hongjian besloot om zijn pessimisme nog maar een dagje uit te stellen, ‘hoe vastberaden hij ook was om pessimistisch te zijn’. Ook Hongjian zelf merkt op dat het hem aan optimisme ontbreekt en dat hij weinig vertrouwen in het huwelijk of in zijn werk heeft.

Toch schetst dat een te negatief beeld van Hongjian, die net zo goed ook charmant, overwegend eerlijk en gevoelig overkomt, iemand die met anderen rekening houdt, iemand die niet voortdurend, zoals sommigen in het verhaal, iedereen probeert te manipuleren. Waarschijnlijk kunnen we Hongjian een schoolvoorbeeld noemen van de kinderlijke piëteit die het confucianisme voorschrijft: hij zal nooit tegen zijn ouders, zijn schoonfamilie of zijn baas ingaan, terwijl er voortdurend veel van hem wordt verwacht – verwachtingen die hij niet kan waarmaken.

Hongjian zelf is zonder enige ambitie. Eerst is hij in Beijing verschillende keren van studie gewisseld, en vervolgens heeft hij in Europa aan diverse universiteiten als toehoorder allerlei losse colleges gevolgd, zonder veel op te steken, laat staan dat hij een Europees doctoraat heeft behaald, naar de verwachtingen van iedereen thuis. Terug in Shanghai begint hij zonder weerwoord aan een betrekking die zijn schoonvader voor hem regelt, voordat hij uit liefdesverdriet een baan als docent aanneemt aan een universiteit in het westen van het land.

Hongjian lijkt zich een beetje op de stroom van het leven mee te laten drijven. Hoewel hij soms wel eens tegengas geeft, lijkt hij tegelijkertijd te accepteren dat alles gebeurt zoals het moet gebeuren, dat het geen zin heeft om tegen die stroom in te roeien. Of kan hij dat niet?

Volgens onze huidige maatstaven zouden we Hongjian waarschijnlijk een vriendelijke slappeling vinden, maar Qian Zhongshu laat in het midden wat hem nu eigenlijk beweegt. Ook velt hij geen oordelen, niet over Hongjian, noch over zijn ouders, schoonouders of echtgenote.

Het boek, dat zich voor de oorlog afspeelt, verscheen in 1946 als feuilleton. Dat Qian Zhongshu in die tijd op dergelijke wijze de lotgevallen van een enkel personage heeft beschreven is opmerkelijk. Niets is er te merken van het politieke engagement dat schrijvers in China al ver voor de oorlog steeds meer in de greep kreeg en dat na de oorlog alleen maar toenam. Het politieke toneel is hooguit ver op de achtergrond aanwezig, ieder lijkt teveel in beslag genomen door het werk en de liefde in zijn persoonlijke leventje. En gelukkig maar misschien. Want lachen we niet het hardst om uitvergrote, herkenbare situaties?

    • Silvia Marijnissen