De wortels van de komkommer liggen in India

Genetici hebben komkommers onderzocht Vroeger waren ze bitter Met maar 500 komkommers was de oerpopulatie klein

De komkommer is vanuit India verspreid en tussen de 3.000 en 4.000 jaar geleden op het Euraziatische continent gedomesticeerd. Dat blijkt uit een genetische analyse van 115 komkommerrassen (Nature Genetics, 20 oktober).

Tot nu toe was weinig bekend van de voorgeschiedenis van de komkommer, anders dan dat de oude Grieken en Romeinen de groente al kenden. In de Bijbel wordt al met weemoed teruggekeken op de komkommers uit Egypte: „We verlangen terug (...) naar de komkommers en watermeloenen, de prei, uien en knoflook” (Numeri 11:5, ca 500 v. Chr.). Ook de oude Sumerische held Gilgamesj zou al komkommers hebben gegeten, maar de vertaling van het Sumerische woord liligu als komkommer is omstreden. Archeologisch onderzoek aan oude komkommerzaden is moeilijk omdat ze sprekend lijken op de zaden van de meloen, een nauwe verwant. De meloen is waarschijnlijk al langer dan vierduizend jaar geleden gedomesticeerd in Egypte of India.

Alle komkommerrassen hebben met elkaar gemeen dat ze, vergeleken met de wilde komkommer in India, genen hebben verloren die voor een sterk bittere smaak van de vrucht zorgen. In het wild beschermt een bittere smaak de plant tegen vraat. Het verlies van deze smaak is een typisch gevolg van domesticatie, bekend van onder meer de aardappel.

De 115 komkommerrassen vallen qua genetische gelijkenis uiteen in vier groepen. Naast een Indiase groep is er een clustering in Eurazië en de VS, in Oost-Azië (Korea, Japan) en in het tropische zuidwesten van China (de zogeheten Xishuangbanna-groep). Kenmerkend voor rassen uit die groep is hun hoge gehalte aan bèta-caroteen, te herkennen aan de oranje kleur van het endocarp, het gedeelte waarin het zaad zit. De genetici wisten dit kenmerk te koppelen aan één gen. Door dit in andere rassen in te brengen zouden die wellicht te verrijken zijn met bèta-caroteen.

De onderzoekers stelden ook vast dat de komkommerrassen afstammen van een relatief kleine beginpopulatie van misschien maar zo’n 500 komkommers. Dat klopt met de kleinere schaal waarop groenten werden verbouwd. Van maïs is de oerpopulatie 150.000 en van sojabonen 1.000 planten.