Compensatie laat op zich wachten

Alleen Primark heeft tot nu toe geld betaald aan de slachtoffers van ingestorte kledingfabriek

Een half jaar na de instorting van het fabriekscomplex Rana Plaza in Bangladesh heeft welgeteld één Westers kledingbedrijf, het Ierse Primark, financiële compensatie betaald aan de overlevenden van de ramp en de nabestaanden van de 1.129 omgekomen arbeiders.

Veel van de getroffen gezinnen hebben intussen de grootste moeite te overleven. Ze hebben nauwelijks geld meer voor voedsel, laat staan voor kostbare medische behandelingen voor invalide geworden overlevenden van de ramp. Volgens een gisteren gepubliceerd onderzoek van de hulporganisatie ActionAid, heeft 92 procent van de overlevenden geen nieuw werk gevonden. Velen van hen zijn zwaar getraumatiseerd.

De directeur van ActionAid in Bangladesh, Farah Kabir, noemde het „niet te verdedigen” dat grote kledingbedrijven zes maanden na de ramp de slachtoffers aan hun lot overlaten.

Na de ramp in april bleek dat een twintigtal grote Westerse kledingbedrijven, waaronder het Italiaanse Benetton, het Spaanse Mango en Primark, kleding lieten maken in fabrieken in het Rana Plaza-gebouw. Vorige maand kwamen acht bedrijven bijeen in Genève om te praten over een compensatiefonds, maar ze wisten geen overeenstemming te bereiken.

Alleen Primark heeft tot nu de beurs getrokken. Zij heeft het afgelopen half jaar aan alle 3.621 arbeiders of hun nabestaanden loon doorbetaald, al waren maar 550 mensen betrokken bij de productie voor Primark zelf. Voor die laatste groep zet Primark ook de komende maanden de betaling voort.

Het Canadese bedrijf Loblaw kondigde gisteren ook compensatie aan. Ook Inditex (eigenaar van Zara), het Britse Bonmarché en het Deense Mascot hebben gezegd te willen bijdragen, maar hebben dat nog niet gedaan.

Het Nederlandse C&A liet tot 2011 eveneens kleding fabriceren in het Rana Plaza-gebouw, maar acht het onnodig mee te betalen aan compensatie voor de slachtoffers. Ruimhartiger toonde C&A zich voor de slachtoffers en nabestaanden van een grote brand in november 2012 bij de Tazreen-fabriek bij de hoofdstad Dhaka. Daar liet het bedrijf op dat moment wel kleding maken. Zij kregen een schadeloosstelling en C&A vergoedde medische hulp. Er werd ook geld uitgetrokken voor langdurige hulp.

De Bengaalse regering kwam deze week een programma van 24 miljoen dollar overeen met de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) om de veiligheid in de textielfabrieken te vergroten. Het programma beoogt ook de positie van de arbeiders, die vaak voor weinig geld in gevaarlijke omstandigheden werken, te verbeteren. Het programma wordt grotendeels betaald door Nederland en Groot-Brittannië.

De textielindustrie is van kapitaal belang voor Bangladesh. Ze is goed voor 21 miljard dollar, 80 procent van zijn export, en verschaft zo’n vier miljoen mensen, vooral vrouwen werk.

    • Floris van Straaten