Caro haalde kunst van haar sokkel

Anthony Caro (1924-2013)

De Britse beeldhouwer dacht er nog lang niet over met pensioen te gaan.

Foto AP

Hij was van plan door te werken tot zijn honderdste. Dat zei Anthony Caro in juni nog, bij de opening van zijn tentoonstelling in de Londense Gagosian Gallery. De 89-jarige Britse beeldhouwer was net een nieuw avontuur aangegaan door naar de megagalerie van Larry Gagosian over te stappen. Hij toonde er een serie gloednieuwe werken – stoere beelden van roestig staal, aan elkaar gelast tot abstracte composities. In dezelfde week opende ook zijn overzichtsexpositie in Museo Correr in Venetië, eveneens met nieuwe beelden. Hij was nog lang niet van plan met pensioen te gaan, zei Caro. „Dan zou ik me alleen maar vervelen.” Maar woensdag kreeg de kunstenaar een hartaanval en stierf, totaal onverwacht, in het harnas.

Samen met Henry Moore, van wie hij het vak leerde, wordt Caro gerekend tot de belangrijkste Britse beeldhouwers van de twintigste eeuw. Zijn doorbraak kwam met de tentoonstelling New Sculpture in de Whitechapel Gallery in Londen in 1963, waar hij vijftien kleurrijke abstracte beelden direct op de vloer exposeerde. Dat was een radicale stap, want tot dan toe hadden sculpturen altijd op een sokkel gestaan. Ook zijn materiaalkeuze was onconventioneel. Caro ging met industriële materialen aan de slag, zoals steigerpijpen, stalen balken en landbouwgereedschap. „Beeldhouwkunst had altijd bepaalde aannames, en ik brak die regels”, zei Caro daar later over. „Dat opende nieuwe wegen, niet alleen voor mij, maar ook voor andere kunstenaars.”

Caro werd in 1924 in Surrey geboren als zoon van joodse ouders. Hij studeerde af als ingenieur aan Cambridge voordat hij zich vanaf 1947 aan de Royal Academy tot beeldhouwer specialiseerde. Zijn vroege werken, zoals Woman Waking Up uit 1955, waren nog sterk beïnvloed door Moores vrouwenfiguren. Maar eind jaren vijftig, na een bezoek aan de Verenigde Staten, ging het roer om. Caro had de bekende criticus Clement Greenberg ontmoet, evenals schilder Kenneth Noland en beeldhouwer David Smith – alle drie voorvechters van abstracte kunst. Hun modernistische ideeën kwamen allemaal samen in Caro’s tentoonstelling in de Whitechapel. Eén van die werken, de felroze sculptuur Pompadour uit 1963, werd aangekocht door het Kröller-Müller Museum.

Er waren tijden dat Caro’s stoere abstractie uit de pas liep met de gangbare stromingen – met pop-art in de jaren zestig en conceptuele kunst in de jaren zeventig. Toch is zijn werk van immense invloed geweest op de Britse kunst. Als docent aan de St Martin’s School of Art, waar Caro van 1953 tot 1981 lesgaf, heeft hij meerder generaties kunstenaars opgeleid. Sommigen van hen, onder wie Tony Cragg, traden in zijn voetsporen. Anderen, zoals Richard Long en Gilbert & George, zetten zich juist tegen hem af en gingen een eigen weg. Vanwege zijn verdiensten in de kunsten werd Caro in 1987 geridderd tot Sir Anthony Caro.

Een blijvende herinnering aan Caro is de Millennium Bridge in Londen, die hij samen met architect Norman Foster ontwierp en die sinds 2004 Tate Modern verbindt met St Paul’s Cathedral. Caro was dat jaar tachtig geworden, wat over de hele wereld gevierd werd. Hij had toen al een carrière van een halve eeuw achter de rug. Toch had hij het gevoel, zei hij, dat hij nog maar net was begonnen.