Beste burger, hij doet het niet voor u

Schrijver Michael Ignatieff ging negen jaar geleden de Canadese politiek in. De Conservatieven lanceerden een meedogenloze campagne tegen hem. Bovendien miste hijzelf een klik met de kiezer: hij was té intellectueel.

Michael Ignatieff stelt zich kandidaat als leider van de Liberalen in Ottawa, op 13 november 2008 Foto AP/Tom Hanson

Op papier leek Michael Ignatieff, de Canadese schrijver en internationaal bekende intellectueel, voorbestemd tot groot succes toen hij zich negen jaar geleden liet strikken voor een overstap naar de politiek in zijn vaderland. De gerespecteerde publicist, die boeken en artikelen schreef over mensenrechten en politiek, was een charismatische, verlichte denker die de machtige Liberale Partij met frisse ideeën en een nieuw elan zou redden van een neerwaartse trend.

Partijbonzen kwamen naar Boston, waar Ignatieff doceerde aan Harvard, met een aanbod dat te mooi leek om af te slaan: hij zou, na bijna dertig jaar in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, terugkeren naar Canada om zich verkiesbaar te stellen voor het parlement, en bij de eerstvolgende kans een gooi doen naar het partijleiderschap van de Liberalen, een centristische partij die Canada vaak regeert. Het premierschap lag in het vooruitzicht. Het kon bijna niet mis gaan.

Ignatieff hapte toe. De theoreticus op het gebied van politiek begon achteloos aan een carrière als politicus: een stormachtige periode van zes jaar waarin hij het inderdaad schopte tot parlementslid en oppositieleider. Maar het avontuur liep ruim twee jaar geleden uit op een fiasco, toen de partij bij de parlementsverkiezingen van 2011 onder zijn leiding slechts 34 zetels haalde in het meer dan 300 leden tellende Lagerhuis – een historisch dieptepunt. Ignatieff verloor in zijn eigen kiesdistrict. Het was een pijnlijke afgang.

Verslagen keerde Ignatieff terug naar de academische wereld om te proberen zijn oude vak als politiek denker en schrijver weer op te pakken. Te beginnen met een terugblik op zijn ervaringen als politicus. In het boek legt hij verantwoording af voor zijn eigen fouten – en maakt hij korte metten met de huidige staat van de politiek in Canada en andere westerse landen, die zich volgens hem te weinig leent voor oprecht debat en een uitwisseling van ideeën.

Ignatieff geeft toe dat het ‘dwaas’ en ‘hoogmoedig’ was om zich vanuit het niets op te werpen als potentieel partijleider en premier. Hij sprong in het diepe met alleen theoretische kennis – en werd ijlings ingepeperd met uit hun verband gerukte denkbeelden uit zijn uitgebreide werk als intellectueel, bijvoorbeeld over de vraag of marteling ooit gerechtvaardigd was bij de strijd tegen terreur. Die tactiek, ‘tendentieuze verdraaiing van iets dat je jaren eerder hebt gezegd’, is ‘een belangrijk wapen in de moderne politiek’, ondervond hij.

Een groot deel van de schuld voor zijn falen legt Ignatieff bij zijn politieke tegenstanders, de Conservatieven onder leiding van premier Stephen Harper. Zij lanceerden een meedogenloze campagne van politieke reclameboodschappen op televisie, waarbij Ignatieff werd afgeschilderd als een buitenstaander, die na decennialange afwezigheid kwam binnenvallen om het premierschap op te eisen. ‘Hij doet het niet voor u’, was een eindeloos herhaalde slogan die zijn geloofwaardigheid aantastte.

Ignatieff werd door Harper op die manier ‘recht van spreken’ ontzegd in zijn eigen land, analyseert de academicus achteraf – ondanks zijn diepe wortels in de Canadese elite, en ondanks zijn beste pogingen om Canadese kiezers voor zich te winnen op talloze barbecues, rodeo’s en pancake breakfasts, ver van de universiteit waar hij meer op zijn plaats is. Een achtergrond als intellectueel is geen voordeel in de politiek, leerde Ignatieff. ‘Ik had onderzoek gedaan naar allerlei vraagstukken, en nam aan dat ik er daarom iets over wist. [...] Ik had me niet gerealiseerd dat politieke kennis iets heel anders is: een kwestie instinctief te kennen, niet alleen in je hoofd.’

Tijdens de campagne van 2011 nam Ignatieff het op tegen de anti-democratische neigingen van Harper, de toenemende gewoonte van de premier om het parlement te omzeilen. Ignatieff voelde zich ontgoocheld in het Lagerhuis, dat meer het toneel is van kinderachtig gekibbel voor de televisiecamera’s dan van substantieel debat. Politici in Canada en daarbuiten bejegenen elkaar teveel als vijanden in plaats van tegenstanders, betoogt hij met verve.

Het is een uitstekend punt – maar toch sloeg zijn poging om die trend te doorbreken niet aan. Hij probeerde het electoraat te inspireren om in opstand te komen met een strijdkreet: Rise up! Het was doordacht, welgemeend en onderbouwd, maar toch schoot het tekort. Ignatieff klikte simpelweg niet met een meerderheid van de kiezers. Dat ongrijpbare aspect van een politieke verbondenheid ontbrak aan zijn kandidatuur – en ontbreekt ook aan het boek, dat enigszins overkomt als een poging om Canadese lezers eraan te herinneren wat ze aan hem missen.

Na zijn nederlaag vond Ignatieff troost in de gedachte dat enkele grote politieke denkers uit de geschiedenis ook faalden in de politiek, zoals Machiavelli en Max Weber. Als academicus heeft hij van zijn loopbaan als politicus geleerd, en deelt hij nu de lessen. En als een studie over waar aspirant-politici voor moeten oppassen, een openhartige kijk op wat er mis kan gaan, biedt Fire and Ashes een vlot en boeiend perspectief.