Teruglezen: Albert Verweylezing Joke van Leeuwen: voor en na de vanzelfsprekendheid

Joke van Leeuwen. Foto ANP

Jaarlijks houdt een gastschrijver aan de Universiteit Leiden de Albert Verweylezing, waarin een aspect of trend in de literatuur wordt uitgelicht. Dit jaar: Joke van Leeuwen, over het onvanzelfsprekende van het vanzelfsprekende.

Februari jongstleden bevond ik me op een middag in een klein kamertje in Sri Lanka, samen met vijf Srilankezen. De enige vrouw onder hen bood me een mok thee aan. Thee is een vertrouwde drank voor Srilankezen, hun eiland telt vele theeplantages. Het is ook een vertrouwde drank voor mij. Ik drink vaak Srilankese thee, al heet die dan English Breakfast.

Ik deed het suikerklontje dat de vrouw me had aangereikt in mijn mok. Een theelepeltje kreeg ik niet. De mensen om me heen begonnen te lachen. Ze vonden het erg grappig dat ik mijn suikerklontje in mijn thee had laten vallen. Ze vertelden me wat ik had moeten doen: mok in de ene hand, suikerklontje in de andere en dan om en om een hapje van het suikerklontje afbijten en een slokje van de thee nemen.

Ik was nog nooit op het idee gekomen om het zo te doen, al had ik mister Bean wel eens een schepje oploskoffie en wat suiker in zijn mond zien stoppen, waarna hij er een slokje water in goot en vervolgens hard met zijn hoofd begon te schudden.


Dat konden wij komisch vinden omdat het zo niet hoorde. Voor het gezelschap om me heen was mijn methode om het suikerklontje in mijn mok te laten vallen ook zeker niet zoals het hoorde. Niemand gaf de indruk er zich verder iets over af te vragen, bijvoorbeeld of het wellicht toch een voordeel bood dat ik bij het nuttigen uiteindelijk maar één hand nodig had, al was er ook het nadeel van extra gereedschap in de vorm van een theelepeltje.

Onvanzelfsprekende vanzelfsprekendheid

Het onvanzelfsprekende van het vanzelfsprekende, van de dingen die je doet of aanneemt zonder er bij na te denken, zie je scherp in een omgeving met andere vanzelfsprekendheden. Op mijn Brusselse Vlaamse middelbare school leerde ik hoe wij in 1830 bevrijd werden van de Hollanders. We woonden toen dicht bij de triomfbogen die vijftig jaar na dit feit ter herinnering hieraan waren opgericht.

“Je kunt de wereld alleen maar begrijpen als je die van verschillende kanten beziet,”

zei Milan Kundera in een interview met Philip Roth, in diens door Else Hoog vertaalde boek Over het vak.
Het gaf vervreemding. Niets wat vanzelfsprekend had geleken was het nog. Maar het werd langzaamaan een soort gewenning. Er kwam ruimte voor nieuwe gewoonten.

Een paar jaar geleden sprak ik mijn kleine clubje jaargenoten van de Brusselse Vrije Universiteit. Zij wisten nog dat ik door een van de professoren regelmatig werd geplaagd vanwege mijn Nederlandse afkomst. Ikzelf kon me daar niets, maar dan ook niets meer van herinneren. Dat kon natuurlijk aan de gebrekkige werking van mijn geheugen liggen, maar ik denk dat het me destijds geen verwarring meer gaf en ik het langs me heen heb laten glijden.

Wel is het besef gebleven van de onvanzelfsprekende vanzelfsprekendheden, van de rijke ervaring die men opdoet als men de verschillen leert kennen en begrijpen. Ook mijn moedertaal was inmiddels verrijkt met heel wat nieuwe woorden en, als het om vertrouwde woorden ging, met meer kennis van de verschillen in betekenis. Toen een Vlaamse organisator eens tegen een Nederlandse auteur zei dat hij hem een merkwaardige schrijver vond, en die Nederlander onaangenaam verrast opkeek, kon ik hem zeggen dat hij een compliment had gekregen, omdat hij opmerkelijk was genoemd.

Vergelijkbare verschillen leerde ik in Suriname kennen. Toen studenten daar tijdens een door mij gegeven werkcollege een korte tekst hadden geschreven op basis van een foto waarop een vrouw in armoedige kleren stond afgebeeld, dacht ik aanvankelijk dat het woord boei dat een van hen gebruikte voor de armband die de vrouw droeg een metaforische woordkeus was, tot ik begreep dat die armband daar een boei héétte.

Als je taalgebruik niet meer vanzelfsprekend is, ga je er extra op letten. Dat kan lastig zijn, maar je kunt er ook je voordeel mee doen. Wie proza en poëzie schrijft is immers voortdurend bezig niet vanzelfsprekend met zijn taal om te gaan. Die zal proberen zijn taal zin voor zin als nieuw te bekijken.

Herkenbare vervreemding

Als het vanzelfsprekende in een andere context onvanzelfsprekend wordt, kan dat een gevoel van onveiligheid oproepen. De verbazing gaat gepaard met een gebrek aan houvast. De Australiër Shaun Tan heeft dat prachtig verbeeld in een boek zonder woorden, The Arrival. Wie de tekeningen leest verplaatst zich in wat een emigrant meemaakt in een wereld die vooral bevreemding wekt. We weten niet of de onbekende dieren waarmee de emigrant geconfronteerd wordt gevaarlijk zijn of niet, of de gewoonten die er heersen te begrijpen zijn of niet. De nieuwe omgeving is onherkenbaar, een visualisering van de vervreemding.


We kunnen ons wel herkennen in de vreemdeling zelf. Die komt, vergeleken bij deze nieuwe wereld, uit een veel herkenbaarder omgeving, dit in tegenstelling tot de vele voorstellingen die vanuit een vertrouwd perspectief van vreemdelingen worden gevormd, met maar al te vaak de niet eens bewuste veronderstelling dat het eigene beter is dan het andere. Zo herinner ik me dat een Nederlandse vrouw tegen een uit Sarajevo gevluchte vriendin van me zei dat ze zeker heel blij was dat ze nu in Nederland woonde. En de Vlaamse auteur Geert van Istendael vertelde eens hoe een Nederlandse vrouw hem met zijn bijna accentloze uitspraak complimenteerde. Ze leefde duidelijk in de veronderstelling dat zij helemaal correct sprak, maar hij hoorde een hard Hollands accent.

Tegelijkertijd toont The arrival hoezeer de verbeeldingskracht van fictie uitdrukking kan geven aan de werkelijkheid. Alleen fictie kan dat op deze manier, zowel in tekening als in tekst.

The arrival deed me denken aan De onzichtbare steden van Italo Calvino, ook zo rijk aan verbeeldingskracht. In dat boek worden fictieve steden beschreven die zijn opgebouwd met ingrediënten uit de werkelijkheid.

Een citaat, waarin Kublai Kan in gesprek is met Marco Polo:

“‘Ik zal je vertellen wat ik vannacht gedroomd heb,’ zegt hij tegen Marco. ‘Midden op een vlak geel stuk land, waar overal meteorieten en zwerfkeien lagen, zag ik uit de verte de torens van een stad verrijzen, met fijne spitsen, zo gemaakt dat de Maan op haar reis nu eens op de ene kan rusten, dan weer op de andere, of kan schommelen aan de kabels van de kranen.’ En Polo: ‘De stad waarvan je gedroomd hebt is Lalage. Deze uitnodigingen tot rust in de nachtelijke hemel hebben de inwoners tot stand gebracht opdat de Maan toestaat dat alles in de stad groeit en steeds opnieuw groeit zonder einde.”Er is iets wat jij niet weet,’ voegde de Kan eraan toe. ‘De Maan heeft uit dankbaarheid de stad Lalage een zeldzamer voorrecht gegeven: te groeien in lichtheid.’”

Die genoemde lichtheid, hier dubbel te interpreteren, refereert voor mij aan wat Calvino ‘nadenkende lichtheid’ noemde, als verwoording van de manier van schrijven waarnaar hij streefde. Het is een term die ik, sinds ik hem tegenkwam, bij me blijf dragen.

Het vanzelfsprekende wordt onvanzelfsprekend door het als het ware expres uit te kleden. In al dan niet geslaagde vormen van humor is dat een bekend procedé: het letterlijk nemen van of een andere dan de gebruikelijke betekenis geven aan een woord. In de trant van: zolang er nog vrouwen bestaan die denken als ze een facelift nemen dat dat een vorm is van zelfontplooiing. Het is een eenvoudig voorbeeld van het onverwachte koppelen van twee ogenschijnlijk niet bij elkaar horende elementen.

Men kan het vanzelfsprekende ook omdraaien. De wees zonder eigen geschiedenis in mijn roman Feest van het begin zet zich af tegen de conventies binnen de muren van haar hospice en is niet voorbereid op de conventies van het leven buiten de muren. Het eerste wat ze goed kan is op haar hoofd staan.

Georganiseerde omkering van hiërarchieën

Ik heb in Maastricht gewoond. Als je daar met carnaval in je gewone kleren rondloopt en niet als stewardess, schemerlamp of James Bontjas, ben jij degene die vreemd is en niet de anderen. Het is een georganiseerde omkering van hiërarchieën. Even is er iemand prins die in het gewone leven misschien alleen tapijtenkoning in zijn eigen winkel is. Het is een spel en een spiegel. Hoog en laag worden door elkaar gegooid in een eeuwenoude traditie. We vinden dat bijvoorbeeld terug in het zestiende-eeuwse Gargantua en Pantagruel van Rabelais, waarin zinnen staan als:

“terwijl de mannen al veestend sterven, sterven de vrouwen al vunzend. Zo treedt hun ziel door het aarsgat naar buiten.”

Veel kinderen zijn er goed in om de conventionele wereld waaraan ze zich moeten aanpassen op hun kop te zetten, bijvoorbeeld met subversieve liedjes als:

“Tararaboemdiejee, de dikke dominee, die heeft zijn gat verbrand al aan de kachelrand.”

Schrijver, recensent en docent Peter van den Hoven, in 2011 te vroeg overleden, heeft meermaals onderzoek gedaan naar dergelijke teksten. Hij refereerde aan de hoogstwaarschijnlijke oorsprong van dit liedje - een Harlingse predikant die in 1894 zijn minnares doodschoot - en citeerde eerdere versies als:

“Tararaboemdiejee, die dikke dominee, die schoot met kruit en lood zijn arme naaister dood.’ En hij vond Amerikaanse versies, zoals:‘Ta-ra-ra-boom-de-yay. There is no school today! Our teacher passed away. We killed her yesterday!”

Voor heel jonge kinderen is nog maar weinig in de wereld om hen heen vanzelfsprekend. Wij zijn als opvoeders druk in de weer om hen te leren dat een vork er is om in een stukje boterham te prikken en niet in je been, dat een sigarettenpeuk niet om op te eten is en dat hun uitwerpselen in een daartoe bestemd meubel moeten en niet als kunstzinnig materiaal gebruikt (tenzij je Wim Delvoye heet, de kunstenaar die een cloacamachine uitvond).

In mijn boek Kweenie is de kleine protagonist Kweenie uit zijn verhaal gevallen nog voor dat goed en wel begon. Hij weet nog niets en krijgt alles uitgelegd van de ik-persoon voor wie bijvoorbeeld een etensbord vanzelfsprekend is. Tegen Kweenie - voor wie dat niet geldt – zegt ze:

“Heel jonge kinderen zitten nog voor de vanzelfsprekendheid. Alles is nieuw en moet worden ontdekt.”

In een observerend onderzoek, terug te vinden in het boek Discourse and Practice van Theo van Leeuwen, herkenden kinderen tussen twee en vier jaar de Playmobil-brandweermannetjes waarmee ze speelden zeker wel als brandweermannetjes, maar gingen ze niet mee in het verhaal dat erbij hoorde. Een kind legde een brandweermannetje op het Playmobil-matrasje, dat bedoeld was voor uit het raam springende slachtoffers. En op de vraag van de onderzoeker wie dat was, kwam als antwoord: dat is een baby. Twee andere brandweermannetjes werden in het verhaal dat dit kind wilde vertellen een vader en een moeder.

Intussen lijkt het soms wel of we hen steeds vroeger in ons keurslijf willen krijgen. Waar legostenen in mijn jeugd een berg vormden waaruit je zelf iets kon opbouwen, zijn veel dozen nu als het ware voorgeprogrammeerd met clichés. Ze zijn invuloefeningen geworden. De bijgeleverde verhalen gaan bijvoorbeeld over agressief ogende mannetjes die het kwaad met een grote K bestrijden. Ik citeer van internet:

“Ben jij een extreme avonturier? Ben je altijd op zoek naar nieuwe uitdagingen? Je vindt wat je zoekt in de Grotten der Wanhoop!”

Het zijn verhalen waarin goed tegenover kwaad staat, en het vechtlustige voor de jongetjes tegenover het roze en de hartjes voor de meisjes. Hùn dozen heten Friends en er zitten vriendinnetjes in met de uitstraling van popsterretjes. Op video’s hoor je hen in slecht geschreven dialogen communiceren. Er is ook een meisjespoppetje dat op de website van Lego als volgt wordt beschreven:

“Vergis je niet. Nya kan haar eigen boontjes doppen. Dat bewees ze toen ze samen met de Vuurdraak Kai uit de klauwen van Lord Garmadon kwam redden.”

Naast die tekst zag ik haar in een leeg landschap almaar neurotisch met twee zwaarden zwaaien alsof ze haar eigen demonen bevocht.

Code boven natuurlijke aanleg

Of is er nu toch een omslag aan de gang? In Wijnegem bij Antwerpen werd kort geleden de eerste van een reeks nieuwe Legowinkels voor de Benelux geopend, waar men vrijelijk blokjes kan uitkiezen en kopen om zelf wat te bouwen. Ook werden er verschillende winkels geopend, onlangs nog in Turnhout, waar uitsluitend gezelschapsspellen te koop zijn, van die tastbare spellen die je aan tafel speelt met echte mensen.

Net als iedereen pikte ik als jong meisje her en der de vanzelfsprekend geachte ideeën op. Ik kende één katholiek kind dat ons pestte omdat wij niet katholiek waren. Katholieke mensen moesten wel vreselijk zijn. Dat had ik niet van mijn ouders. Mijn vader zei alleen dat katholieken ook naar de kerk gingen, maar naar een andere kerk. Ja natuurlijk. Die van ons zat al vol.

Zo rond mijn tiende begon ik te beseffen hoeveel ideeën er als vanzelfsprekend over meisjes en vrouwen werden gedebiteerd. De stelligheid waarmee al dan niet geleerde heren van alles beweerden, over onze passiviteit, en dat wij tussen kind en man in stonden en almaar zorgende aanwezig wilden zijn en door onze bouw vooral geschikt waren voor binnenshuis… het wekte in mij verbazing en vervreemding op. Dat schreven ze zomaar, alsof het waar was. “Wat natuurlijke aanleg leek,” zegt Peter Sloterdijk in Kritiek van de Cynische Rede:

“bleek bij nader inzien een code te zijn.() wie voordeel heeft van zijn eigen programmering en die van anderen, voelt () geen neiging tot reflectie. Wie er nadeel van ondervindt zal echter weigeren in de toekomst offers te brengen die uitsluitend gebaseerd zijn op dressuur tot onvrijheid.”

Het daagde me wie er van één kant af keek en wie van meerdere kanten, wie in het midden stonden en wie aan de zijkant. En op den duur ook wat het voordeel kan zijn van zo’n blik vanaf de zijkant. Of, als je vanuit beginnende mensen schrijft, de blik van onderaf. George Orwell moet hebben gezegd:

“weinig gezichten zijn op hun best wanneer ze van onderaf worden bekeken.”

Met de blik van onderaf

Ik schrijf romans en poëzie voor volwassenen en het soort boeken dat men kinderboeken noemt. De term suggereert dat ze alleen voor kinderen geschikt zijn, zoals vrouwenboeken voor vrouwen. Alsof ieder ander die daar niet toe behoort er niets aan heeft of in vinden kan. Dat is het benauwende van dit soort termen. Niet voor niets heet het tijdschrift waarin plaats is voor de studie van kinder- en jeugdboeken ‘Literatuur zonder leeftijd’.

In menig voor mij interessant kinderboek is het kind degene vanuit wie wordt gekeken. Met de blik van onderaf. Alison Lurie schreef in haar nog altijd zeer stimulerende boek over de subversiviteit in kinderliteratuur, Not in front of the grown-ups:

“De meeste grote werken van de jeugdliteratuur zijn op de een of andere manier subversief: zij evoceren ideeën en emoties die in hun tijd niet algemeen werden goedgekeurd of zelfs herkend; ze spotten met vereerde figuren of vrome gelovigheden en bezien sociale schijn met een heldere directheid; ze merken op dat -zoals in Andersen’s beroemde sprookje – de keizer geen kleren aan heeft.”

In Alice in Wonderland van Lewis Carroll kijkt Alice, het kind, met verbazing naar een wereld die in hoge mate die van de volwassenen is. Alice-vertaler Nicolaas Matsier wees er in een essay in Alice in Verbazië op dat niet Alice maar de creaturen om haar heen zich ongewoon gedragen en de gebruikelijke grenzen overschrijden. Zij is de gewoon geklede in het carnaval. Hij ziet in dat verband verwantschap tussen de werelden van Carroll en Kafka:

“Die van Carroll kent dunkt mij zeker een nachtmerrieachtige kant, die echter steeds weer wijkt voor het komische. Omgekeerd is de wereld van Kafka veel geestiger dan men () lange tijd placht aan te nemen.”

Er zijn kinderboeken waarin de schrijver zich vooroverbuigt, lessen wil leren, het allemaal beter weet, of de lezers volgens verwachtingen binnenloodsen in een kleine, herkenbare wereld. Die laatste bereiden hen uitstekend voor op vele populaire boeken voor volwassenen, die entertainend en herhalend zijn en niet op het verkeerde been zetten. Dat soort boeken doet me denken aan een oude uitspraak van de Amerikaanse radiokomiek Fred Allen:

“Ik snap niet waarom iemand een jaar lang aan een roman zit te werken, terwijl hij er heel makkelijk een voor een paar dollar kan kopen.”

Commercieel is zo’n manier van schrijven zeker. Commercie gedijt beter bij meer van hetzelfde, geen onduidelijke verrassingen maar invulling van de verwachtingen, en versimpeling in plaats van complexiteit.

Gekantelde hiërarchieën

Het zelfhulpboek Hoe schrijf ik korte verhalen van Louise Borgess begint met een mooi motto over het vertrouwd maken van de lezer met nieuwe ideeën en het nieuw laten lijken van vertrouwde ideeën. Vervolgens worden er ingrediënten aangereikt om een goed in de markt liggend verhaal te schrijven. In het laatste hoofdstuk staat:

“Je kunt je veel moeite besparen door eerst de markt te kiezen en dan het verhaal te schrijven, en dat aan te passen aan de eisen van die markt.”

Er zijn ook van die kinderboeken die dwars staan op zo’n tijdgeest, boeken waarin de vanzelfsprekende hierarchieën worden gekanteld of omgedraaid. Bijvoorbeeld die van hoog en laag, groot en klein, wetend en onwetend, ervaren en onervaren, afhankelijk en onafhankelijk, belangrijk en onbelangrijk, vanzelfsprekend en ongewoon.

Neem om te beginnen groot en klein. De Alice van Carroll kan groeien en krimpen. De dieren in Toon Tellegen’s dierenverhalen zijn allemaal even groot, de olifant is niet groter dan de mier of de eekhoorn. Van een dergelijk spel met de vaste verhoudingen die op losse schroeven worden gezet, zijn nog veel meer voorbeelden te noemen.

Of neem de tegenstelling ervaren en onervaren. Milan Kundera schreef in zijn boek De kunst van de roman:

“Je verlaat de kindertijd zonder te weten wat jeugd is, je trouwt zonder te weten wat het is getrouwd te zijn en zelfs als je de ouderdom binnengaat, weet je niet waar je naartoe gaat: de bejaarden zijn de onschuldige kinderen van hun ouderdom. In die zin is de aarde van de mens de planeet van de onervarenheid.”

En Gerrit Kouwenaar, negentig nu, zei onlangs in de NRC:

“Oud worden dat doe je ook maar voor het eerst.”

De voortvluchtige commandant in mijn boek Toen mijn vader een struik werd dacht ervaren te zijn, maar toen het oorlog werd bleek zijn kennis louter theorie: ‘Ik kon niet commanderen,’ zei hij, ‘Toen ik moest roepen: ‘Open het vuur!’, toen zei ik: ‘Misschien moeten we nu proberen te schieten, als het niet te gevaarlijk is en als jullie er geen moeite mee hebben.’

Het meisje Toda, dat uit de praktijk van het kind-zijn goed weet wat het is om gecommandeerd te worden, gaat dan met hem oefenen. Zij is degene die op dat moment de grote helpt en iets leert. Een omkering van het gebruikelijke.

Weten en niet-weten

Dat brengt ons op de tegenstelling weten en niet-weten. Toon Tellegen laat in Mijn avonturen door V. Schwrm de meester van een klas aan alles twijfelen, zelfs aan rekensommen. En de Onbekende Soldaat in mijn boek De Metro van Magnus weet niets, hij is onbekend, en alles is onbekend voor hem. Hij kent niet eens de tafel van vier die Magnus wel kent.

En dan afhankelijk en onafhankelijk: kinderen zijn afhankelijke wezens, ze zijn voor alles aangewezen op de volwassenen. Maar in veel van de boeken die ze lezen zijn er juist geen ouders of overschrijden ze op andere manieren grenzen. Alice gaat ondergronds, Magnus komt via een ondergronds treintje dat hij zelf heeft bedacht op onverwachte plaatsen. Er zijn deuren en deurtjes in verhalen die je ergens anders brengen alsof het deuren zijn in je hoofd. Ik noem ook graag Pluk uit Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Schmidt, want dat is een onafhankelijk manneke dat een eigen autootje en een eigen woning heeft. In dit verhaal worden de rollen van volwassene en kind omgedraaid als de aan conventies vastzittende mevrouw Helderder door het nuttigen van hasselbramenjam speels wordt als een kind.

En dan de tegenstelling belangrijk en onbelangrijk. In menig kinderboek van deze soort wordt wie belangrijk en deftig doet, en wat status heeft, vrolijk subversief benaderd. Als voorbeeld een stukje uit de vertaling door Huberte Vriesendorp van The hermit and the bear van John Yeoman. De beer krijgt ‘vanwege zijn doorzettingsvermogen, in weerwil van haast onoverkomelijke intellectuele beperkingen’ zijn diploma plechtig uitgereikt:

“Nog was de plechtigheid niet afgelopen. Uit een binnenzak van zijn toga haalde de kluizenaar een paarse, zijden sjerp tevoorschijn. Deze hing hij met zorg over de schouder van de beer en onder zijn linkervoorpoot door. Hij lette wel goed op dat hij de beer niet kietelde. Op de sjerp stond: ‘Miss Zaltbommel 1947’ wat niet helemaal toepasselijk was. Maar de letters waren zo verbleekt dat het bijna niet meer te lezen was.”

Ook in Alice in Wonderland komt een passage voor waarin de koning zegt dat iets belangrijk is, waarop het Witte Konijn zegt dat het onbelangrijk is, waarna de koning de woorden belangrijk en onbelangrijk herhaalt alsof hij niet weet wat te kiezen.

En dan is er de tegenstelling tussen vanzelfsprekend en onvanzelfsprekend. In het toneelstuk DagDag, dat ik schreef naar een visueel concept van Bob Takes, onlangs te zien geweest in theater HetPaleis in Antwerpen, worden een man en een vrouw die in een tweedimensionale wereld leven, waar alles goed lijkt zoals het is, geconfronteerd met een bergbeklimmer die in hun wereld valt en in een voor hen onbereikbare dimensie staat.

Ze zijn nieuwsgierig, maar misverstanden kunnen niet worden voorkomen. De bergbeklimmer toont hen een foto van zijn vrouw, die hij niet mobiel kan bereiken. Man en vrouw hebben niet eerder een foto gezien.

VROUW: Is ze dit? Wat is ze klein…
BERGBEKLIMMER: In het echt is ze natuurlijk groter.
VROUW: Is ze dit dan niet?
BERGBEKLIMMER: Jawel, dit is ze wel.
VROUW: Dan is ze heel klein.
BERGBEKLIMMER: Dit is een foto. Een foto van Hanneke. Hanneke is mijn vrouw. En ze is vreselijk ongerust, denk ik.
VROUW: Nee hoor, ze lacht naar ons.

Ik prijs me gelukkig dat ik door mijn werk alle leeftijden op tijd en stond voor me zie: van peuters tot hoogbejaarden en alles er tussenin. Ik zie kinderen zo gauw mogelijk de eerste rij bezetten en volwassenen maar al te vaak de eerste rij mijden. Ik zie kinderen zonder schroom hun vinger opsteken om iets te vragen en volwassenen soms wat ongemakkelijk om zich heen kijken om niet de eerste te hoeven zijn.

Boeken voor volwassenen gaan nog boven de pet van kinderen, uitzonderingen daargelaten. Wat de kinderboeken betreft interesseert mij dus wat over de opgerichte leeftijdsgrenzen heen kan reiken. Je gaat toch als volwassene niet iets voorlezen waar je zelf niks aan vindt. Dat die boeken daarmee niet over kinderhoofden heen hoeven te gaan, weet ik inmiddels wel. Ik ben lang genoeg bezig om niet alleen reacties van kinderen te krijgen, maar ook van volwassenen die als kind boeken van mij hebben gelezen. De mooiste zijn de opmerkingen dat mijn boeken hen anders hebben doen denken.

Intussen zat ik twee weken geleden aan een signeertafel naast een onbekende man die, geflankeerd door een fotograaf en een assistente, in een veel te warm muizenpak de Geronimo-Stiltonboeken signeerde als was hij de schrijver ervan. Het merendeel van de kinderen en volwassenen stonden op een nephandtekening van deze verklede muis te wachten.

Ik merkte als kind met hoeveel plezier mijn ouders van Winnie de Poeh genoten en begreep dat er dus boeken kunnen bestaan die over leeftijdsbarrières heen kunnen reiken.

Hokjesgeest

Maar ja, er is veel hokjesgeest, er leven veel vooroordelen, er worden veel clichématige of niet aan de inhoud van een werk gerelateerde argumenten gebezigd. Zo trof ik soms nog recensies aan waarbij een te uitleggerige stijl meteen werd vergeleken met jeugdboeken, terwijl er mooie complexe boeken bestaan die jeugdboeken worden genoemd en die soms – zie bijvoorbeeld De Arkvaarders van Anne Provoost - elders als boek voor volwassenen worden uitgegeven. Laatst vertelde een vertaler van mijn kinderboeken dat ze ook een van mijn romans wilde vertalen, maar dat de uitgever die ze erover aansprak als argument om het niet te doen had gezegd:

“Tja, een vrouw van boven de vijftig, die ook nog kinderboeken schrijft.”

In mijn jeugd vonden velen stripverhalen van een lagere orde, maar het werk van Marten Toonder en later Maus van Art Spiegelman lieten zien wat er mogelijk was. Sindsdien heten het graphic novels.

Of iets goed is of slecht hangt niet van het genre af, maar van wat ermee wordt gedaan.

Shaun Tans verhaal zonder woorden is overigens als De aankomst bij het kinderboekenfonds van uitgeverij Querido verschenen. Ook een kind kan in dit boek ronddwalen, maar ik denk niet dat Shaun Tan het zozeer als kinderboek heeft bedoeld. Het laatste boek van graphic-novelmaker Chris Ware, Building Stories, een nieuw concept overigens, verhalen die in allerlei publicatievormen - een tijdschrift, een boekje, een folder, een uitklapbare tekening - in een doos zijn samengebracht, is vanuit het perspectief van een volwassen vrouw gecreëerd. In vele scènes zoals deze worden typisch volwassen problematieken verbeeld.

Toch noemde de New York Times dit boek in een top-tien van kinderboeken.

Verwondering tegen de tirannie van de middelmaat

Een van de filosofische werken van Cornelis Verhoeven heet Inleiding tot de verwondering. Mensen, zei hij, kunnen niet collectief in verwondering leven en de spanning van het andere verdragen. Ze willen het andere integreren of opheffen. De verwondering staat haaks op de tirannie van de middelmaat, maar is alleen mogelijk vanuit een zekere geborgenheid. Het heeft iets kinderlijks, zei hij, maar:

“Dat kinderlijke is dan niet het kinderlijke van wie een kind is gebleven; het is veeleer het kinderlijke van wie een kind is geworden.”

De schrijver Aharon Appelfeld, overlevende van de Tweede Wereldoorlog, durfde in een gesprek met Philip Roth het woord naïveteit te gebruiken, en dan niet als cliché voor wie nog te wereldvreemd of onnozel is om iets te begrijpen. Het is vanwege die vaak negatief bedoelde connotaties een gevaarlijk woord, maar het wordt hier gebruikt door iemand die de donkerste kanten van het mensdom ervoer:

“Kan er een eigentijdse, naïeve kunst bestaan? Het kwam me voor dat het kunstwerk zonder de naïveteit die je nog steeds bij kinderen en oude mensen aantreft en tot op zekere hoogte bij jezelf, ongaaf zou zijn. Ik heb geprobeerd dat gebrek te corrigeren. God weet of het me gelukt is.”

Dit gaat niet over rudimenten, maar over verworvenheden. Over het vermogen of de intentie zijn socialisatie te bevragen en enigszins af te pellen en zich te blijven oefenen in het als nieuw kijken, de vanzelfsprekendheden te herkennen en te trachten er overheen te denken of het in zijn betrekkelijkheid te kunnen aanschouwen. Dit is wat het kan inhouden, zonder die connotaties van regressie. Het is het omgekeerde van het-allemaal-wel-gezien-hebben, van het weten op de manier van: Dat weet ik nu wel. Peter Sloterdijk zegt dat de filosoof een kans moet geven aan het kind in zichzelf, dat problematieken van bijvoorbeeld oorlog en bewapening zogezegd nog niet begrijpt. Wie ‘nog niet begrijpt’ kan misschien de juiste vragen stellen. Het is ook het omgekeerde van gearriveerd zijn. Het is leven als onderweg blijven en alleen gearriveerd zijn als je dood bent.

Proza en poëzie zijn bij uitstek geschikt om vanzelfsprekendheden te doorbreken en naar nieuwe wegen van de verbeelding vanuit de werkelijkheid te zoeken, om andere kanten en perspectieven te vinden en om, hoe oud we ook zijn, te blijven oefenen in als nieuw kijken.

De Franse filosoof Émile-Auguste Chartier, een generatiegenoot van Albert Verwey naar wie deze lezingenreeks is vernoemd, zei dat wanneer we de waarde van een kunstwerk willen beoordelen, we ons juist niet moeten afvragen hoe het van nut kan zijn, maar van welk denkautomatisme het ons bevrijdt.

Ook Albert Verwey had het erover. Daarom wil ik eindigen met een citaat van hemzelf uit een lezing die hij hier in Leiden in 1925 hield:

“De waarde van dichters en kunstenaars ligt hierin dat zij in duizenden vormen telkens weer een nieuw gezicht geven op het leven. Ieder weet dat wat wij in onze jeugd bezitten, het werkelijke zien van de wereld, ons later verloren gaat. Hoe ouder we worden hoe meer we door begrippen en conventies verbergen wat eerst naakt voor ons lag. Wij willen begrijpen en in plaats van leven en wereld stellen wij stelsels, en vergeten dan dat zij toch het leven-zelf niet zijn. () Dichter is hij die op iedere leeftijd weer kind kan zijn. Die de gedachtespinsels kan afstropen en de werkelijkheid erachter zien. Soms in lange pozen van klare aanschouwing, soms als bij bliksemlicht.”

Ik dank u voor uw aandacht.