Zo zit het dus met Zwarte Piet

Er zijn veel meningen over Zwarte Piet, maar wat zijn de feiten? Hij duikt voor het eerst op als zwarte knecht van Sint Nicolaas in 1850 Inmiddels is hij geëxporteerd naar Duitsland en België

Wetenschapsjournalist

Het Sinterklaasfeest zoals we het tegenwoordig kennen is eeuwen oud. Toch? Nee. Het is een Amsterdamse vinding van rond 1850, die pas veel later op het platteland is overgenomen.

Maar Sinterklaas was er al langer. Al tijdens de Reformatie, vanaf 1517, werd alles in het werk gesteld om de naamdagsviering van de katholieke heilige voorgoed onmogelijk te maken. Verboden, boetes: het lukte niet. Het kinderfeest was te populair. Ook de protestanten wilden er niet vanaf.

En de figuur van Zwarte Piet heeft niets te maken met slavernij. En ook niets of bijna niets met één of andere Moorse pagecultuur. In essentie beeldt Zwarte Piet waarschijnlijk een duiveltje, een demon of ander mormeltje uit. De herinnering daaraan is verdwenen, maar er zijn nog sporen van te vinden.

Het staat vast dat Sint Nicolaas zich tot op de dag van vandaag niet alleen in Nederland, maar in grote delen van Europa door een kleine donkere helper laat begeleiden. Een helper met een roe en een zak of mand waar geschenken uit komen, en stoute kinderen in kunnen. Tot voor kort werd die figuur alleen in Nederland uitgebeeld door een zwarte man. Inmiddels is dat ook in delen van Duitsland en België het geval.

Folklore is een rommeltje

Het doorgeven van folklore gaat gepaard met herinterpretaties en gruwelijke misverstanden, dat is een gegeven. Het maakt het lastig om aan te geven hoe Nederland aan zijn Zwarte Piet kwam.

De grote lijn is dit: Sint Nicolaas was al in de Middeleeuwen een heilige die in heel Europa, van Spanje tot diep in Rusland, werd geëerd en gerespecteerd. Hij wordt in verband gebracht met allerlei goede daden – zorg voor arme kinderen en nog veel meer – en is de beschermheilige van ongetrouwde meisjes en van zeevarenden. In die laatste rol is hij ook de beschermheilige van de havenstad Amsterdam. Geen stad in Nederland die zo’n nauwe relatie voelde met Sint Nicolaas als Amsterdam.

Zoals meer heiligen lukte, heeft Sint Nicolaas waarschijnlijk de duivel overwonnen. Dat soort heiligen is in vroeger eeuwen vaak afgebeeld met een geketend zwart duiveltje aan de voeten. Het is de herinnering aan dat duiveltje die in de folklore is blijven bestaan.

Hoe het precies is gegaan valt niet meer na te gaan, maar van lieverlee is in grote delen van Europa de gewoonte gegroeid om op 5 of 6 december Sint Nicolaas in eigen persoon voor kinderen te laten optreden en geschenken te laten uitdelen. Bij voorkeur aan arme kinderen, altijd aan brave kinderen. Meestal werd en wordt Nicolaas daarbij begeleid door die kleine helper, die dan voorzien is van een roe en een zak of mand. Vaak loopt hij wat krom zodat je zijn gezicht niet ziet, soms is dat ook wel zwart gemaakt of achter een zwarte baard verstopt.

In Duitsland heet de helper Knecht Ruprecht, in Frankrijk Père Fouettard. In de Elzas had je de figuur Hans Trapp, die een ketting om zijn middel droeg. Rond Zwitserland en Oostenrijk kent men Krampus, die behalve ketenen en een roe ook hoorns heeft en nogal tekeer gaat.

Interessant is dat de figuren ook zelfstandig kunnen optreden. Ze kunnen zelfs overspringen naar het kerstfeest, zodat onze Sinterklaas in Amerika opeens als Santa Claus bij de kerstboom belandde. De kerstboom op zijn beurt is wel eens overgesprongen naar 5 december. Dat is wat folklore is: een rommeltje.

Duitse en Franse kinderen waren altijd wel een beetje bang voor Ruprecht en Fouettard, maar ook altijd doordrongen van het besef dat ze het au fond goed meenden. Nooit ging er écht een stout kind in de zak of de mand.

Ook in de Nederlandse steden werden kinderen op 5 december in de achttiende en begin negentiende eeuw flink bang gemaakt. Maar, voor zover bekend: nooit door Sint Nicolaas en zijn helper in eigen persoon. Die verschenen niet, het is een klein mysterie op zichzelf. Er werd gebonkt op ramen en deuren en er klonk ketengerammel en gegrom vóór een zwarte hand het strooigoed naar binnen smeet. Meer niet.

Op het Nederlandse platteland, voldoende ver van Amsterdam, ging het er waarschijnlijk anders aan toe. Er zijn aanwijzingen dat daar rond 5 december wél een Nicolaas rondging. Waarschijnlijk volgden wij het Duitse model en liep er een Knecht Ruprecht mee. Tussen 1870 en 1913 duidden regionale kranten de helper van Sint Nicolaas nog geregeld aan als Knecht Ruprecht. Niet als Zwarte Piet.

En toen was er die schoolmeester

Al met al is het niet vreemd dat de Amsterdamse schoolmeester en dichter Jan Schenkman (1806-1863) in 1850 een boekje met versjes uitbracht waarin hij aan Sint Nicolaas een knecht toevoegde. In het rijm zelf krijgen we weinig te horen over die knecht, niet meer dan dat hij zweet en spioneert en flink moet aanpakken. En, op één plaats, dat hij zwart is, maar dat uitdrukkelijk in verband met de schoorsteen waar hij kennelijk net uit kwam.

Het lijkt erop dat de tekenaar die de plaatjes bij het rijm maakte, heeft begrepen of besloten dat het een zwarte man moest zijn. Hij ontwierp een sportieve verschijning in neutrale kleding, die eerder oogt als compagnon dan als ondergeschikte van Sint Nicolaas. Dat Schenkman zelf de tekenaar was, ligt door dit frappante verschil niet voor de hand. Bovendien zijn er wel meer discrepanties tussen beeld en tekst.

Toen het boek St. Nikolaas en zijn Knecht een succes bleek, liet de uitgever betere plaatjes maken. De nieuwe illustrator voorzag de knecht prompt van kousen, pofbroek, plooikraag en zwierige muts met veer – kortom van het pagepakje waaruit onlangs is afgeleid dat Schenkman de knecht als page, als een dienaar van een hogergeplaatste, heeft doen herverschijnen.

Het is een verzinsel, bedoeld om de knecht meer aanzien te verschaffen. De knecht was geen page, hij kreeg een pagepakje aan. Acrobaten en koorddansers, kermisklanten dus, droegen ook vaak zo’n pakje, zoals te zien is in een ander boekje dat Schenkman schreef.

Maar het gekozen kostuum sloeg geweldig aan, het is nooit meer verdwenen en sinds een paar jaar wordt het ook gedragen door Père Fouettard in België en door Knecht Ruprecht in Duitsland. Want dat is ook folklore: het gaat alle kanten op.

Het succes van Schenkmans expliciete beschrijving van Sint Nicolaas en zijn knecht leidde ertoe dat het duo kort na 1850 waarschijnlijk voor het eerst die eeuw in persoon ten tonele werd gevoerd. Letterlijk: allerlei menslievende verenigingen zagen het opeens als hun taak de arme kinderen van Amsterdam een onvergetelijke dag te bezorgen met een live optreden van Sinterklaas.

De naam Zwarte Piet stamt uit 1895

Binnen een paar jaar nam daarbij, althans in Amsterdam, het aantal helpers toe. In 1873 verscheen Sint Nicolaas in het Paleis voor Volksvlijt voor 3.400 kinderen, begeleid door twee zwarte knechts, vier Chinezen, nog wat bedienden en een olifant. Want zijn entourage moest vooral exotisch zijn, ’t was immers een man uit een ver land. En het was ook variété.

Dat de helper van Sint Nicolaas een zwarte man was, is in de negentiende eeuw – voor zover dat valt na te gaan – nooit onvriendelijk benadrukt of op enigerlei wijze misbruikt. Hij was in de eerste plaats exotisch, vrolijk en vriendelijk. Wel leefde er bij sommigen nog een vage herinnering aan de ketenen waarmee in het begin van de eeuw nog zo woest gerinkeld was. Toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft, was het misverstand snel geboren: dat moesten de ketenen zijn geweest van Nicolaas’ zwarte slaaf. Prompt verschenen er ook plaatjes van Zwarte Piet met geketende voeten. Het was niet slecht bedoeld, maar het deugde niet.

Tegen ‘Zwarte Piet’, die trouwens pas rond 1895 die naam kreeg, is in de negentiende eeuw nooit bezwaar gemaakt. Wel tegen het Sinterklaasfeest als zodanig waarin sommigen, vooral in Groningen lijkt het, gelegaliseerde besodemieterij van kinderen zagen. Schaf het af, riep de Groninger Courant in 1853 in een vlammend commentaar. Het is ook de Groningers niet gelukt.