Wij hebben onze zaakjes voor elkaar

De Nederlander neemt anderen graag de maat, maar is gespeend van zelfkritiek. Dat beeld kleeft ons al eeuwen aan, schrijft Jaap Cohen.

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Eergisteren legde de Jamaicaanse VN-rapporteur Verene Shepherd een rechtstreeks verband tussen Zwarte Piet en slavernij. Waarschijnlijk was ze zich van weinig kwaad bewust. Ze had een, in haar ogen, curieus volksgebruik onderzocht en was tot de conclusie gekomen dat deze negentiende eeuwse blackface-traditie niet meer van deze tijd was. De reacties zullen Shepherd niet meegevallen zijn. Nog nooit groeide een Nederlandse Facebooksite sneller dan die van de Pietitie (‘Laat Nederlands mooiste traditie niet verdwijnen!’), de ‘krant van wakker Nederland’ noemde Shepherd op de voorpagina een ‘zeurpiet’ die de roe moest krijgen, en Geert Wilders riep op tot afschaffing van de VN.

Wie aan Zwarte Piet komt, komt aan ‘de’ Nederlandse volkscultuur, en daar kun je maar beter vanaf blijven: we laten ons door anderen niet de maat nemen.

Die reactie is interessant als je bedenkt dat Nederlanders het opgeheven vingertje naar andere landen niet schuwen. Dat blijkt alleen al uit de recente incidenten tussen Nederland en Rusland. De Amsterdamse burgemeester Van der Laan riep de regering op om een staatsklacht tegen Rusland in te dienen wegens schending van de mensenrechten. Nederlandse actievoerders van Greenpeace protesteerden op Russische wateren tegen de bouw van een boorplatform. En actrice Halina Reijn vroeg in een speech in Sint-Petersburg aandacht voor de rechten van journalisten en homo’s in Rusland. In alle drie de gevallen wordt Rusland de maat genomen.

Critiek op de groote buren

Het beeld dat wij gespeend zijn van zelfkritiek, maar andere landen graag de les lezen, kleeft al heel lang aan de Nederlander. In de bundel De Nederlandsche volkskarakters uit 1939 schreef dr. Th. van Schelven een opstel over het Nederlandse volkskarakter waarin deze houding ter sprake kwam. Hij refereerde daarbij aan een rel die destijds speelde: Nederland had stevig commentaar geleverd op ‘wrede’ Italianen die Hollandse trekvogels neerschoten, terwijl in Nederlandse eendenkooien jaarlijks probleemloos 300.000 Scandinavische eenden werden gedood en verhandeld. Een beetje hypocriet was het wel, vond Van Schelven. ‘Nog heden ten dage zijn wij het balcon van Europa, van waaruit op de groote buren critiek wordt uitgeoefend, vooral op hun ethische en moreele tekortkomingen.’ Nederland was graag het beste jongetje van de Europese klas, dat anderen graag op hun tekortkomingen wees – het liefst zonder enige introspectie.

Zou Van Schelvens analyse van de Nederlandse volksaard nog steeds kloppen? ‘De volkscultuur’ en ‘de volksaard’ – het zijn van die begrippen die in de wetenschap tegenwoordig hopeloos achterhaald zijn. Maar in de negentiende eeuw en eerste helft van de twintigste eeuw waren onderzoekers ervan overtuigd dat ze bestonden. Rassen- en volkskunde waren populaire vakgebieden, en fysisch antropologen trokken er met hun schedelpassers massaal op uit om verschillende mensensoorten in kaart te brengen – waaraan psychologen en etnologen vervolgens verschillende karakterologische eigenschappen toebedeelden.

Pas na de Tweede Wereldoorlog raakten de rassen- en volkskunde volledig buiten beeld. De rassenleer van de nazi’s had laten zien hoe gevaarlijk het was om karakterologische eigenschappen op hele groepen mensen van toepassing te verklaren. Het besef drong door dat mensen niet zo duidelijk in hokjes waren te plaatsen, en dat de toegewezen volkskarakters niet meer dan stereotyperingen waren.

Het opgeheven vingertje

En toch. Het beeld van de vrijzinnige Nederlander, overtuigd van zijn eigen kwaliteiten en niet bang om anderen op tekortkomingen te wijzen, bleef fier overeind.

Na de oorlog bouwden we een verzorgingsstaat op waarin plek was voor iedereen. Nederland was het meest vooruitstrevende land van de westerse wereld: legale prostitutie, veel geld naar ontwikkelingssamenwerking, gratis heroïneverstrekking aan verslaafden en goede sociale voorzieningen voor iedereen – wij hadden onze zaakjes prima voor elkaar. Daar waren we trots op, en dat mochten anderen best weten. Wie heeft er nooit in het buitenland opgeschept over het feit dat wij Nederlanders, indien we dat wilden, gewoon een jointje in de coffeeshop konden aanschaffen en vervolgens oproken?

Ook het opgeheven vingertje was ons niet vreemd. Toen Duitse rechts-extremisten uit Solingen in 1993 het huis van een Turkse familie in brand staken, riepen de dj’s van het populaire Radio 3-programma The Breakfast Club hun luisteraars op om voorbedrukte protestkaarten met de tekst ‘Ik ben woedend’ naar bondskanselier Helmut Kohl te sturen. 1,2 miljoen mensen gaven aan de oproep gehoor – geen slechte score. Dat in Duitsland ook veel protesten tegen de racistische actie hadden plaatsgevonden, daarover hoorde je in de Nederlandse media weinig.

De opkomst van Pim Fortuyn en het besef dat achter de tolerante façade van de verzorgingsstaat flinke problemen schuilgingen, zorgde voor een flinke deuk in het Nederlandse zelfbeeld. De politieke moorden op diezelfde Fortuyn en op Theo van Gogh lieten zien dat er in ons kleine landje grote spanningen tussen verschillende bevolkingsgroepen heersten. En één van de belangrijkste politici van het land – met indirecte regeringsverantwoordelijkheid – predikte een kopvoddentaks, stelde een Polen-meldpunt in en noemde de profeet Mohammed een pedofiel. Probeer dan nog maar eens in het buitenland uit te leggen dat wij Nederlanders tolerante en vrijzinnige mensen zijn.

Plekje op het balkon van Europa

Toch lijkt ook die andere volkseigenschap nog steeds intact: als Nederlanders op de situatie in eigen land worden aangesproken, is er ineens weinig aan de hand.

Zo schreef de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) een kritisch rapport over de situatie van verschillende minderheidsgroepen in Nederland. Die blijkt niet altijd even best: stigmatisering van moslims en Oost-Europeanen, antisemitische spreekkoren rond de voetbalvelden en arbeidsdiscriminatie zijn in Nederland veelvuldig aan de orde. Een zorgwekkende situatie, zou je zeggen. Maar op het Binnenhof vroegen de Nederlandse parlementariërs zich en masse af waar ze zich in het buitenland mee bemoeiden. En toen moest de Zwarte Pietendiscussie nog komen.

De Nederlandse volksaard mag dan niet bestaan, ons plekje op het balkon van Europa is nog altijd ongeschonden.