Tijd is schuld, en andere vondsten

Hij is nu 74 procent van het bruto binnenlands product (bbp), de Nederlandse staatsschuldquote. Dat valt nog mee: in het gereputeerde Duitsland is hij 80 procent, in de VS 106 procent en in Singapore 107 procent. Een te hoge nationale schuld wordt als een probleem gezien. Financieel, omdat de aflossingen en rente te groot zouden zijn. Economisch, omdat (ondanks kritiek op het werk van Rogoff en Reinhart) nog steeds wordt aangenomen dat een te hoge schuld ten koste gaat van de economische groei. Generationeel, omdat de huidige generatie leeft op de zak van de jongeren. En moreel. Een hoge staatsschuld hoort niet.

Wat dat betreft is het verhelderend wat Nobelprijswinnaar Robert Shiller – afgelopen zaterdag nog met een vraaggesprek in deze krant – vorig jaar schreef. Hem was tijdens zijn studie aan het Massachusetts Institute of Technology altijd voorgehouden om goed op te letten in welke eenheden hij aan het rekenen was. Dat kan behoorlijk verhelderend werken. Want waar druk je een staatsschuldquote, de schuld gedeeld door het bbp, nu eigenlijk in uit? De schuld luidt in euro’s. Het bruto binnenlands product is op te vatten als de productie ter waarde van een hoeveelheid euro’s per tijdseenheid. De euro’s vallen bij de deling tegen elkaar weg. De staatschuldquote luidt dus in wezen in tijdseenheden.

Dat we daarvoor een jaar nemen, gaat Shiller verder, is volstrekt willekeurig. Afgezien van de landbouwsector heeft een jaar in de moderne economie nauwelijks een betekenis. Hanteren we een kwartaal, dan was de Nederlandse schuldquote geen 74 procent, maar 296 procent. Alarm! Namen we daarentegen tien jaar, dan is de schuldquote 7,4 procent. Niets aan de hand. Nu is hier uiteraard sprake van enige retoriek, maar Shiller gebruikt het voorbeeld om de staatsschuld te relativeren of in ieder geval van zijn absolute, morele context te ontdoen.

Het neemt niet weg dat een stijgende staatsschuldquote onverkoopbaar is. Beleggers zijn er te gevoelig voor, en politiek zijn de hordes – zie de VS nog vorige week – groot. Shiller richt zich nu op de Debt Friendly Stimulus. Dat is een moderne term voor een idee dat al uit begin jaren 40 stamt, toen het nog de balanced budget stimulus heette en werd aangehangen door William Salant, een adviseur van president Roosevelt, en de econoom Paul Samuelson. Het uitgangspunt is dat de overheid met extra uitgaven inspringt wanneer er, zoals nu, vraaguitval is. Het probleem is dat als een begrotingstekort ontstaat, de private sector zal verwachten dat de belastingen in de toekomst zullen stijgen om het gat weer te dichten. Dus waarom die belastingen niet meteen verhoogd? Shiller rekent er op dat de extra activiteit die de stimulering door de overheid oplevert, de inkomens van burgers en bedrijven dermate zal doen stijgen dat dit opweegt tegen de zwaardere belastingdruk. De staatsschuldquote blijft in de tussentijd gelijk.

Een acuut probleem met Shillers idee is, zo valt aan te nemen, dat het moeilijk te slijten is. Hogere belastingen zijn waarschijnlijk nog onverkoopbaarder dan een stijgende staatsschuldquote. Maar als er nu eens, ook in Nederland, wat economen aan gaan rekenen?

Denk eens terug aan het Amerika van begin jaren 40. Het einde van de Grote Depressie was destijds geen vaststaand feit, en de economie kwakkelde kwetsbaar door. De Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog veranderde vervolgens alle parameters, en het valt niet meer te achterhalen hoe de economische ontwikkeling anders zou zijn verlopen. Maar vlak daarvoor was de tijdgeest er een van twijfel of de economie ooit nog de prestaties zou evenaren van voor de jaren 30. Dat lijkt erg op de stemming van vandaag. We moeten blij zijn dat er Shillers zijn die ook nu buiten de gebaande paden durven kuieren.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.

    • Maarten Schinkel