Sterke en gulle editie van de Turner Prize

Voor het eerst wordt de Turner Prize buiten Engeland gehouden. In het Noord-Ierse Londonderry tonen vier sterke kunstenaars hun werk in barakken. De winnaar wordt op 2 december bekend gemaakt.

De geur van petunia’s dringt zich op langs de kades van Londonderry. De Noord-Ierse stad, berucht omdat hier in 1972 met ‘Bloody Sunday’ de onlusten begonnen, is dit jaar uitgeroepen tot UK City of Culture. En dus is de grauwe stad opgepoetst, zijn de straten opnieuw geplaveid en de kades vol gehangen met bloembakken. Het centrum hangt vol met affiches die tentoonstellingen en voorstellingen aankondigen. De kunst heeft Derry, zoals veel Noord-Ieren hun stad liever noemen, overgenomen.

Dat geldt zeker voor de Ebrington Barracks, die vanaf deze week onderdak bieden aan de Turner Prize. Tot voor kort was dit terrein aan de oever van de Foyle-rivier verboden gebied voor de inwoners van Derry. Hier marcheerden vroeger de Britse militairen. Totdat Ebrington in 2003 als onderdeel van de vredesbesprekingen werd teruggegeven aan de Noord-Ieren. Nu is het terrein gemakkelijk vanuit het centrum te bereiken dankzij de in 2011 gebouwde Peace Bridge. De barakken werden voor 2,5 miljoen pond omgebouwd tot tentoonstellingsruimtes.

„Het is haast niet voor te stellen”, zegt Caroline Collier, directeur van Tate National en verantwoordelijk voor de Turner Prize, „dat deze gebouwen recentelijk nog hermetisch waren afgesloten met prikkeldraad. Voor de inwoners van Derry is dit een bijzonder emotioneel moment.”

Het is voor het eerst in de geschiedenis dat de Turner Prize buiten Engeland wordt georganiseerd. Thuisbasis is museum Tate Britain in Londen, maar sinds 2011 wordt om het jaar gezocht naar een andere stad in het Britse koninkrijk. In 2011 was dat Newcastle, in 2015 wordt de prijs in Glasgow uitgereikt. „Het publiek in Londen is al zo verwend met het enorme kunstaanbod”, zegt Collier. „Hier in Derry heeft de prijs veel meer impact op de infrastructuur. Dit is een jonge stad, 40 procent van de inwoners is jonger dan 25. Er zullen alleen al 9.000 schoolkinderen naar deze expositie komen.”

Participatie

Het lijkt wel of de vier genomineerde kunstenaars dat verantwoordelijkheidsgevoel delen. Want deze sterke editie van de Turner Prize is in de eerste plaats laagdrempelig en gul. In het verleden werd de prijs nogal eens beschimpt om de conceptuele, in zichzelf gekeerde kunst die er getoond werd, maar dit jaar doen de kunstenaars er alles aan om het publiek bij hun werk te betrekken. Participeren en debatteren, daar draait het om in Derry.

Dat begint al in de eerste zaal, waar David Shrigley een tekenlokaal heeft ingericht. In het midden staat een meer dan levensgrote polyester pop (Life Model, 2012), daaromheen een vijftal ezels met tekenvellen. Bezoekers mogen proberen het naaktmodel zo goed mogelijk na te tekenen, en hun creatie vervolgens aan de muur hangen. Zo word je als kijker opeens kunstenaar. Maar eenmaal aan het tekenen geslagen blijkt het nog niet eenvoudig een goede studie van het menselijk lichaam te maken. Shrigley’s model is een nogal karikaturale versie van Michelangelo’s David, met enorme flaporen, scheve tepels en een dunne piemel. En net op het moment dat je serieus aan de slag gaat, pist de pop een klaterende straal in een emmer. Weg concentratie.

Het werk van Laure Prouvost is al even uitnodigend. In een schemerige ruimte mogen we op krakkemikkige stoeltjes plaatsnemen aan een tafel met gehaakte kleedjes en zelfgemaakt theeservies – een replica van de woonkamer van haar grootouders. Op de wand draait een film waarin Prouvost vertelt over haar opa, zogenaamd een conceptueel kunstenaar die goed bevriend was met dadaïst Kurt Schwitters. Maar opa brak nooit echt door en nu gebruikt oma zijn abstracte sculpturen als afdruiprek en zijn schilderijen als dienbladen. De woonkamer is bovendien steeds meer een museum van háár wulpse pottenbakkunst geworden. Daarmee is deze speelse installatie, die aan het vroege werk van Pipilotti Rist doet denken, een mooie ode aan vrouwenkunst.

Prouvost dompelt de kijker helemaal onder in haar wereld, en betovert je met haar fantasievolle verhalen. Of haar opa echt kunstenaar was, wil ze niet zeggen. „Dat moet je als toeschouwer zelf maar uitvogelen. Wat is echt en wat niet, om die vraag draait het in mijn werk. Ik zie mijn grootouders meer als fictieve karakters uit een boek. Die kunnen je soms langer bijblijven dan mensen die echt bestaan.”

Geur van olieverf

De enige kunstenaar die het publiek nog op de traditionele manier – van een afstandje – naar kunst laat kijken, is Lynette Yiadom-Boakye. Haar zaal is de meest klassieke van de vier, met zes figuratieve portretten van mannen die lachen, luieren, jagen. Het is een ruimte waar het ouderwets ruikt naar olieverf. Alleen zijn alle geportretteerden zwart – dat zie je in de kunstgeschiedenis niet vaak. Ook de manier van presenteren is anders dan anders: de schilderijen worden in een verduisterde ruimte met spots uitgelicht, waardoor de witte tanden en ogen van de mannen fel oplichten. Zij staren je aan, en jij kunt alleen maar vol bewondering terugkijken.

De laatste zaal, van Tino Sehgal, is op het eerste gezicht helemaal leeg. Maar wie bekend is met het werk van de Duits-Britse kunstenaar weet dat dat een schijnbeweging is. Want opeens komt er een oudere vrouw, gekleed in een zwart T-shirt met Tate-logo, kordaat op je afgestapt. „Ik ben Carmel”, zegt ze. „En dit werk van Tino Sehgal heet This is Exchange. Dit kunstwerk is een aanbieding. Wij willen je 2 pond betalen als je met mij wilt discussiëren over de markteconomie. Ben je geïnteresseerd in dat aanbod?” En dus sta je opeens met een gepensioneerde dame uit Derry te kletsen over de voor- en nadelen van kapitalisme. Na afloop krijg je bij de kassa inderdaad twee pondstukken in je handen gedrukt. Waardoor je als bezoeker winst maakt, want de entree van de tentoonstelling was gratis.

Carmel kan zich voorstellen, zegt ze, dat bezoekers zich zullen afvragen of Sehgals werk wel kunst is. „Maar is dat niet juist interessant, om na te denken over wat kunst kan zijn?” Het is niet duidelijk of het haar woorden zijn, of dat Sehgal haar die heeft ingefluisterd. De kunstenaar geeft nooit uitleg bij zijn werk. Zijn kunst moet je zelf ervaren. Wat Sehgal betreft hoeft het museum geen plek te zijn om in stilte te contempleren. Het kan ook een ontmoetingsplaats zijn, een ruimte voor debat. Sehgal wil ons laten nadenken over het soort maatschappij waarin we zouden willen leven. Juist op een beladen plek als Londonderry kan dat heel waardevol zijn.

De Turner Prize. T/m 5 jan in Ebrington, Londonderry. De winnaar wordt op 2 december bekendgemaakt. Inl: www.tate.org.uk

    • Sandra Smallenburg